|
7.
“God heeft de dood niet gemaakt en Hij vindt geen vreugde in de ondergang van
hen die leven, maar alles heeft Hij voor het zijn geschapen(...) Ja, God heeft
de mens geschapen voor een onvergankelijk leven; en Hij heeft hem gemaakt tot
een beeld van zijn eigen eeuwigheid. Maar de dood is in de wereld gekomen door
de afgunst van de duivel; en hij wordt ondergaan door diens aanhangers”(W
1,13-14;2,23-24).
Het Evangelie van het leven, dat in het
begin opklonk met de schepping van de mens naar het beeld van God voor een vol
en volmaakt leven (vgl.Gn 2,7;W 9,2-3), wordt tegengesproken door de
verscheurende ervaring van de dood die in de wereld komt en die de schaduw van
zinledigheid over het hele bestaan van de mens werpt.
De dood komt in de wereld vanwege de
afgunst van de duivel (vgl.Gn 3,1&4-5) en vanwege de zonde van de
voorouders (vgl.Gn 2,17;3,17-19). En hij komt er binnen op een gewelddadige
wijze, door middel van de moord op Abel door zijn broer Kaïn: “Toen zij
buiten waren, viel Kaïn zijn broer aan en vermoordde hem”(Gn 4,8).
Die eerste moord wordt voorgesteld met
een uitzonderlijke welsprekendheid op een bladzijde van het boek Genesis die
universele betekenis heeft: een bladzijde die elke dag weer wordt geschreven,
zonder pauze en in een ontmoedigende herhaling, in het boek van de geschiedenis
der volkeren.
Wij willen samen die bijbelse bladzijde
herlezen die, ondanks haar ouderdom en uiterste eenvoud, zeer leerzaam blijkt.
“Abel werd schaapherder en Kaïn
landbouwer. Na verloop van tijd bracht Kaïn een offer aan Jahwe van de
vruchten van de grond. Ook Abel bracht een offer, de eerstgeborenen van zijn
beste schapen. Jahwe zag genadig neer op Abel en zijn offer, maar op Kaïn
en zijn offer sloeg Hij geen acht.
Een wilde woede greep Kaïn aan, en
zijn gezicht werd grimmig. Nu zei Jahwe tot Kaïn: “Waarom zijt gij woedend
en waarom staat uw gezicht zo grimmig? Als gij het goede doet is er
opgewektheid; maar doet gij het goede niet, dan loert de zonde als belager aan
uw deur, begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven?”
Daarop zei Kaïn tot zijn broer
Abel: “Laten we gaan wandelen”. En toen zij buiten waren, hief Kaïn de
hand op tegen zijn broer en doodde hem.
Nu zei Jahwe tot Kaïn: “Waar is uw
broer Abel?”Hij antwoordde: “Ik weet het niet. Ben ik soms mijn broeders
hoeder?”Toen zei Hij: “Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed
van uw broer roept uit de grond tot mij! Daarom zult ge vervloekt zijn,
verbannen van de grond die zijn mond heeft geopend om uit uw hand het bloed van
uw broer te ontvangen! De grond die gij bewerkt zal niets meer opbrengen; een
zwerver en een vagebond zult ge zijn op de aarde!”
Toen zei Kaïn tot Jahwe: “Die
straf is te zwaar om te dragen. Gij verdrijft mij van de bebouwde grond, en ik
zal ver van U moeten blijven. Ik zal een zwerver en een vagebond zijn op de
aarde, en iedereen die mij ontmoet kan mij doden”.
Maar Jahwe antwoordde hem: “Neen! Wie
het ook is die Kaïn doodt, hij zal het zevenvoudig boeten!”En Jahwe gaf
Kaïn een merkteken, om te voorkomen dat ieder die hem ontmoette hem doden
zou. Daarna trok Kaïn weg uit Jahwe”s nabijheid en vestigde zich in het
land Nod, ten oosten van Eden.(Gn 4,2-16).
8. Kaïn is
“zeer kwaad”en heeft een “grimmig”gezicht, omdat “de Heer genadig neerzag op
Abel en zijn offer”(Gn 4,4). De bijbeltekst onthult niet de reden waarom God
het offer van Abel verkiest boven dat van Kaïn; hij geeft echter duidelijk
aan dat Hij, ook al kiest Hij de gave van Abel, het gesprek met Kaïn niet
afbreekt. Hij waarschuwt hem, herinnert hem aan zijn vrijheid tegenover het
kwaad: de mens is geenszins voorbestemd tot het kwaad. Zeker: hij wordt, zoals
reeds Adam, beproefd door de verderflijke macht van de zonde die, als een wild
dier, naast de deur van zijn hart staat, klaar om zich op zijn prooi te
storten. Maar Kaïn blijft vrij tegenover de zonde. Hij kan en moet die
beheersen: “Zijn hevige begeerte is op u gericht, maar u moet die meester
blijven!”(Gn 4,7).
Na de waarschuwing van de Heer hebben
de afgunst en de woede de overhand en zo stort Kaïn zich op zijn broer en
doodt hem. In de Katechismus van de Katholieke Kerk lezen we: “In het verhaal
van de moord van Kaïn op zijn broer Abel toont de Schrift hoe, vanaf het
begin van de geschiedenis van het mensdom, ten gevolge van de erfzonde, woede
en begeerlijkheid in de mens aanwezig zijn. De mens is de vijand geworden van
zijn naaste”10.
De ene broer doodt de andere. Zoals bij
de eerste broedermoord wordt bij elke moord de “geestelijke”verwantschap
geschonden, die de mensen verenigt in één grote familie11,
aangezien allen deelhebben aan hetzelfde wezenlijke goed: de gelijke
persoonlijke waardigheid. Dikwijls wordt ook de verwantschap “van het vlees en
het bloed”geschonden, bijvoorbeeld wanneer de bedreigingen van het leven
opkomen in de relatie tussen ouders en kinderen, zoals gebeurt bij abortus, of
wanneer binnen de grotere context van gezin of familie, euthanasie aangemoedigd
wordt of uitgevoerd.
Aan de wortel van elk geweld tegen de
naaste ligt een toegeven aan de “logica”van de boze, dat wil zeggen van hem die
“moordenaar van begin af aan geweest is”(Joh 8,44), zoals de apostel Johannes
zegt: “Dat is dus de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt: dat wij
elkaar moeten beminnen. Niet zoals Kaïn, die uit de boze was en die zijn
broer doodde”(1Joh 3,11-12). Zo is de broedermoord vanaf de dageraad van de
geschiedenis het trieste getuigenis van de manier waarop het kwaad voortgaat
met indrukwekkende snelheid: bij de opstand van de mens tegen God in het aards
paradijs voegt zich de dodelijke strijd van de ene mens tegen de andere.
Na de misdaad komt God tussenbeide om
de vermoorde te wreken. Tegenover God, die hem ondervraagt over het lot van
Abel, omzeilt Kaïn, liever dan zich verlegen te tonen en om vergeving te
vragen, de vraag hooghartig: “Ik weet het niet. Moet ik soms op mijn broer
passen?”(Joh 4,9). “Ik weet het niet”: Kaïn probeert met een leugen zijn
misdaad te verbergen. Zo is het vaak gebeurd en gebeurt het nog wanneer de
meest uiteenlopende ideologieën ertoe dienen om de gruwelijkste misdaden
tegen de persoon te rechtvaardigen en te maskeren. “Moet ik soms op mijn broer
passen?”: Kaïn wil niet denken aan zijn broer en weigert die
verantwoordelijkheid, die iedere mens heeft jegens de ander, te dragen.
Onwillekeurig komt men te denken aan de huidige tendensen om de
verantwoordelijkheid van de mens voor zijn naaste af te schuiven: symptomen
daarvan zijn onder andere het afnemen van de solidariteit met de zwakste leden
van de maatschappij - zoals de ouderen, de zieken, de immigranten en de
kinderen - en de onverschilligheid die dikwijls te zien is in de betrekkingen
tussen de volken, ook wanneer fundamentele waarden op het spel staan zoals het
overleven, de vrijheid en de vrede.
9. Maar God laat
de misdaad niet ongestraft: vanaf de grond waarop het is vergoten vraagt het
bloed van de vermoorde dat Hij gerechtigheid laat wedervaren (vgl.Gn 37,26; Js
26,21; Ez 24,7-8). Van die tekst heeft de Kerk de naam afgeleid van “zonden die
ten hemel schreien”waarin zij vóór alles de moord met
voorbedachten rade 12 heeft opgenomen. Voor de joden, zoals
voor veel volken in de oudheid, is het bloed de zetel van het leven, ja zelfs:
“het bloed is het leven”(Dt 12,23) en het leven, in het bijzonder dat van de
mens, behoort alleen aan God toe: daarom staat wie een mens naar het leven
staat, in zekere zin God zelf naar het leven.
Kaïn wordt vervloekt door God en
ook door de aarde, die hem haar vruchten weigert (vgl.Gn 4,11-12). En hij wordt
gestraft: hij zal wonen in de steppe en in de woestijn. Het moordgeweld
verandert het leefmilieu van de mens ten diepste. Het land van de “tuin van
Eden”(Gn 2,15), een plaats van overvloed, van zuivere betrekkingen onderling en
van vriendschap met God, wordt “land van Nod”(Gn 4,16) plaats van “ellende”,
van eenzaamheid en verwijdering van God. Kaïn zal “rondzwerven en
voortvluchtig zijn op de aarde”(Gn 4,14): onzekerheid en onbestendigheid zullen
hem altijd vergezellen.
God echter, altijd barmhartig ook
wanneer Hij straft, “gaf Kaïn een merkteken, om te voorkomen dat ieder die
hem ontmoette, hem doden zou”(Gn 4,15). Hij gaf hem dus een teken, niet met de
bedoeling om hem te veroordelen tot vervloeking door de andere mensen, maar om
hem te beschermen en te verdedigen tegen degenen die hem misschien wilden doden
om de dood van Abel te wreken. Zelfs de moordenaar verliest niet zijn
persoonlijke waardigheid en God zelf stelt zich daarvoor garant. En precies
hier blijkt het paradoxale geheim van de barmhartige rechtvaardigheid van God,
zoals de H. Ambrosius schreef: “Nadat op het moment waarop de zonde was
binnengeslopen, een broedermoord was gepleegd, dwz de grootste misdaad, moest
onmiddellijk de wet van de goddelijke barmhartigheid uitgebreid worden; want
als de straf onmiddellijk de schuldige getroffen had, dan zouden de mensen bij
het straffen helemaal geen toegevendheid of mildheid hebben betracht maar
zouden zij de schuldigen onmiddellijk ter bestraffing hebben uitgeleverd. (...)
God stuurde Kaïn weg van zijn aanschijn en verbande de van zijn ouders
afvallige naar een andere woonplaats, omdat hij van de menselijke mildheid was
overgegaan naar beestachtige wildheid. God wilde echter de moord niet straffen
met een moord, aangezien hij liever het berouw van de zondaar wil dan zijn
dood”13.
|