|
18.
Het beschreven panorama moet niet alleen begrepen worden in termen van de
doodsverschijnselen die het kenmerken, maar ook in de verscheidenheid van
oorzaken die het bepalen. De vraag van de Heer: “Wat heb je gedaan?”(Gn 4,10)
schijnt a.h.w. een uitnodiging te zijn aan Kaïn om voorbij het materile
karakter van zijn moorddadig handelen te gaan, om het te ervaren in heel de
ernst van de motieven die eraan ten grondslag liggen en van de consequenties
die eruit voortvloeien.
Beslissingen die tegen het leven ingaan
komen soms voort uit moeilijke of zelfs tragische situaties en diep lijden,
eenzaamheid, een volkomen ontbreken van economische vooruitzichten en angst
voor de toekomst. Zulke omstandigheden kunnen zelfs in aanzienlijke mate de
subjectieve verantwoordelijkheid en de daaruit voortvloeiende schuldigheid van
hen die deze keuzes - die op zichzelf slecht zijn - maken, verminderen. Maar
vandaag gaat het probleem veel verder dan de noodzakelijke erkenning van deze
persoonlijke situaties. Het is een probleem dat ook bestaat op cultureel,
sociaal en politiek vlak, waar het zijn subversiefste en verwarrendste kant
laat zien in de steeds toenemende tendens om bovengenoemde misdaden tegen het
leven te zien als legitieme uitdrukkingen van individuele vrijheid, die erkend
en beschermd moeten worden als echte en eigenlijke rechten.
Aldus bereikt een lang historisch
proces een keerpunt met tragische gevolgen. Het proces dat eens leidde tot de
ontdekking van de idee van “mensenrechten”- rechten die eigen zijn aan iedere
persoon en die voorafgaan aan iedere grondwet en wetgeving van de staat - raakt
vandaag in een verrassende tegenspraak. Juist in een tijd nu de onschendbare
rechten van de persoon plechtig worden afgekondigd en de waarde van het leven
publiekelijk bevestigd, wordt het recht op leven ontkend of vertrapt, vooral op
de meest betekenisvolle momenten van het bestaan: het moment van de geboorte en
dat van de dood.
Enerzijds laten de verschillende
verklaringen van mensenrechten en de vele initiatieven die erdoor
geïnspireerd zijn, zien dat er op wereldniveau een groeiende morele
gevoeligheid is, alerter op de erkenning van de waarde en de waardigheid van
ieder individu als menselijk wezen, zonder enig onderscheid naar ras,
nationaliteit, godsdienst, politieke mening of sociale klasse.
Anderzijds worden deze nobele
verklaringen helaas tegengesproken door een tragische ontkenning ervan in de
praktijk. Zo”n ontkenning is te meer verontrustend, ja zelfs schandaliger,
juist omdat ze zich afspeelt in een samenleving die de invoering en de
bescherming van mensenrechten tot eerste doel maakt en daar trots op is. Hoe
kan men deze herhaalde bevestigingen van het principe rijmen met de
voortdurende toename en wijdverbreide rechtvaardiging van aanvallen op het
menselijk leven? Hoe kunnen we deze verklaringen rijmen met de weigering om hen
op te nemen die zwak en behoeftig zijn, of ouder, of hen die juist in de
moederschoot ontvangen zijn? Deze aanvallen richten zich rechtstreeks tegen het
respect voor het leven en ze zijn een directe bedreiging voor de hele cultuur
van de mensenrechten. Het is een bedreiging die tenslotte de betekenis zelf van
het democratisch samenleven in gevaar kan brengen: in plaats van gemeenschappen
van “mensen die samenleven”worden onze steden tot gemeenschappen van mensen die
uitgestoten raken, gemarginaliseerd, ontworteld en onderdrukt. Als we dan
kijken naar het verdere wereldwijde perspectief dan moeten we wel vaststellen
dat zelfs de plechtige bevestiging van de rechten van enkelingen en volken die
in hoge internationale zittingen wordt uitgesproken, een puur nutteloze
oefening in retoriek is, als we de zelfzuchtigheid van de rijke landen niet
ontmaskeren die de arme landen de toegang tot ontwikkeling ontzeggen of die
zulke toegang afhankelijk maken van absurde voortplantingsverboden, en die zo
een tegenstelling maken tussen ontwikkeling en de mens zelf. Moeten we niet
juist de economische modellen ter discussie stellen die staten vaak ook
hanteren voor internationale druk en conditionering, en die onrechtvaardige en
gewelddadige situaties doen ontstaan en verergeren, waarin het leven van hele
volken wordt neergehaald en vertrapt?
19. Waar liggen
de wortels van deze opmerkelijke tegenspraak?
We kunnen ze vinden in algemene
beoordelingen van culturele en morele aard, te beginnen met de mentaliteit die
de idee van subjectiviteit tot het uiterste doorvoert en zelfs vervormt, en die
als subject van rechten alleen de persoon erkent die volledige of tenminste
beginnende autonomie geniet en die de toestand van totale afhankelijkheid van
anderen achter zich laat. Maar hoe kunnen we deze benadering rijmen met de
verheffing van de mens als een wezen dat “niet gebruikt mag worden”? De theorie
van de mensenrechten stoelt juist op de overweging dat de menselijke persoon,
i.t.t. dieren en dingen, niet onderworpen kan worden aan overheersing door
anderen. We moeten ook de mentaliteit noemen die ertoe neigt om persoonlijke
waardigheid gelijk te stellen met het vermogen tot verbale en expliciete, of
tenminste waarneembare, communicatie. Het is duidelijk dat op basis van deze
vooronderstellingen er geen plaats in de wereld is voor iemand die, zoals de
ongeborenen of de stervenden, een zwak element is in de sociale structuur, of
voor iemand die op genade en ongenade is overgeleverd aan anderen en radicaal
afhankelijk van hen, en die alleen kan communiceren d.m.v. de stomme taal van
een diep gedeelde affectie. In dit geval wordt macht de maatstaf voor keuze en
actie in intermenselijke betrekkingen en in het sociale leven. Maar dit is het
exacte tegendeel van wat de rechtsstaat historisch verzekerde als gemeenschap
waarin het “recht van de sterken”is vervangen door de “sterkte van het recht”.
Op een ander vlak liggen de wortels van
de tegenstelling tussen de plechtige bevestiging van mensenrechten en hun
tragische ontkenning in een opvatting van vrijheid die de enkeling op een
absolute wijze verheft, en die geen plaats geeft aan solidariteit en openheid
jegens anderen en aan dienst aan hen. Als het waar is dat het uit de weg ruimen
van het leven dat nog niet geboren is of dat in zijn laatste stadia verkeert
soms door een verkeerd gevoel van altruïsme en menselijk medelijden
gekenmerkt wordt, kan men niet ontkennen dat een dergelijke cultuur van de dood
in haar geheel genomen een volledig individualistische opvatting van vrijheid
verraadt dat uitloopt op de vrijheid van “de sterksten”tegen de zwakken die
gedoemd zijn zich te onderwerpen.
Juist in deze zin kan Kaïns
antwoord op de vraag van de Heer “Waar is Abel, je broer?”geïnterpreteerd
worden: “Ik weet het niet; ben ik mijn broeders hoeder?”(Gn 4,9). Ja, iedere
mens is zijns “broeders hoeder”, omdat God ons aan elkaar toevertrouwt. En het
is ook met het oog op dit toevertrouwen, dat God aan iedereen vrijheid geeft,
een vrijheid die een wezenlijke relationele dimensie bezit. Zij is een groot
geschenk van de Schepper, gegeven als zij is ten dienste van de persoon en van zijn
vervulling door de gave van zichzelf en door de openheid jegens anderen; maar
wanneer de vrijheid absoluut gemaakt wordt op een individualistische manier,
dan verliest ze haar oorspronkelijke inhoud, en weerspreekt zij haar eigenlijke
betekenis en waardigheid.
Er is een nog dieper aspect dat
onderstreept moet worden: vrijheid ontkent en vernietigt zichzelf, en wordt een
factor die tot de vernietiging van anderen leidt, wanneer zij niet langer haar
essentiële band met de waarheid erkent en eerbiedigt. Wanneer de vrijheid,
omdat zij zichzelf wil ontworstelen aan alle vormen van traditie en gezag,
zelfs de meest vanzelfsprekende evidentie van een objectieve en universele
waarheid uitsluit, de grondslag van het persoonlijke en sociale leven, dan
neemt de persoon tenslotte de waarheid over goed en kwaad niet meer als het
enige en onbetwistbare uitgangspunt voor zijn eigen keuzes, maar alleen zijn
subjectieve en veranderlijke mening of, vlakweg, zijn zelfzuchtige belangen en
grillen.
20. Deze opvatting
van vrijheid leidt tot een ernstige misvorming van het leven in de
maatschappij. Als de ontwikkeling van het eigen ik begrepen wordt in termen van
absolute autonomie, komen mensen onvermijdelijk tot de afwijzing van elkaar.
Ieder ander wordt beschouwd als vijand tegen wie men zich moet verdedigen. Zo
wordt de samenleving tot een massa individuen die naast elkaar staan, maar
zonder enige onderlinge band. Iedereen wil zichzelf onafhankelijk van de ander
laten gelden en neigt er in feite toe zijn eigen belangen te laten prevaleren.
Toch moet er, met het oog op de analoge belangen van andere mensen enigerlei
compromis gevonden worden, als men een samenleving wil waarin de maximaal
mogelijke vrijheid gegarandeerd wordt voor iedere enkeling. Aldus raakt iedere
verwijzing naar gemeenschappelijke waarden en naar een waarheid die voor
iedereen absoluut bindend is, zoek, en het sociale leven waagt zich in het
drijfzand van een compleet relativisme. Op dat punt is alles bespreekbaar en
alles onderhandelbaar: zelfs het eerste van de grondrechten, het recht op
leven.
Dit gebeurt dan ook inderdaad op
politiek en regeringsniveau: het oorspronkelijke, onvervreemdbare recht op
leven wordt ter discussie gesteld of ontkend op basis van een parlementaire
uitspraak of van de wil van een deel van het volk - zelfs als het de
meerderheid is. Dit is het sinistere resultaat van een relativisme dat zonder
oppositie regeert: het “recht”houdt op recht te zijn, omdat het niet meer
stevig stoelt op de onaantastbare waardigheid van de persoon, maar onderworpen
is aan de wil van het sterkste deel. Op deze wijze gaat de democratie, in
weerwil van haar eigen beginselen, op weg naar een wezenlijk totalitarisme. De
staat is niet langer het “gemeenschappelijke huis”waar allen samen kunnen leven
op basis van beginselen van fundamentele gelijkheid, maar wordt omgevormd tot
een tirannieke staat die zich het recht aanmatigt om te beschikken over het
leven van de zwaksten en meest weerlozen, van het ongeboren kind tot de oudere,
in naam van een algemeen belang dat feitelijk niets anders is dan het belang
van enkelen. Uiterlijk wordt het respect voor de wettigheid zeer strikt
gehandhaafd, tenminste wanneer de wetten die abortus en euthanasie toestaan het
resultaat zijn van een stemming overeenkomstig hetgeen algemeen beschouwd wordt
als de regels van de democratie. Wat we hier zien is in werkelijkheid slechts
de tragische karikatuur van wettigheid: het democratisch ideaal, dat alleen
werkelijk zo is wanneer het de waardigheid van iedere menselijke persoon erkent
en beschermt, wordt verraden in haar eigen grondslagen: “Hoe is het nog
mogelijk om te spreken van de waardigheid van iedere menselijke persoon wanneer
het doden van de zwaksten en onschuldigsten wordt toegestaan? In de naam van
welk recht wordt de meest onrechtvaardige van alle discriminaties bedreven:
sommige enkelingen verklaart men het waard om verdedigd te worden en andere
wordt die waardigheid ontzegd?”16. Wanneer dit gebeurt, is
het proces dat leidt tot de ineenstorting van een echt menselijk samenleven en
tot het uiteenvallen van de staat zelf al begonnen.
Het recht op abortus, kinderdoding en
euthanasie opeisen, en dat recht erkennen bij wet, betekent dat men aan de
menselijke vrijheid een perverse en kwade betekenis geeft: die van een absolute
macht over anderen en tegen anderen. Maar dit is de dood van de ware vrijheid:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: ieder die zonde bedrijft is slaaf van de
zonde”(Joh 8,34).
|