|
21.
Bij het zoeken naar de diepste wortels van de strijd tussen de “cultuur van het
leven”en de “cultuur van de dood”kunnen we ons niet beperken tot de perverse
idee van vrijheid als boven vermeld. We moeten gaan naar het hart van de
tragedie die de moderne mens ervaart: de verduistering van de zin voor God en
voor de mens, typisch voor een sociaal en cultureel klimaat dat beheerst wordt
door secularisme dat met zijn alom aanwezige tentakels er soms in slaagt om
christelijke gemeenschappen zelf op de proef te stellen. Degenen die zich laten
beïnvloeden door dit klimaat vallen gemakkelijk in een droevige vicieuze
cirkel: wanneer de zin voor God weg is, is er ook de neiging om de zin voor de
mens te verliezen, voor zijn waardigheid en zijn leven; op haar beurt verwekt
de systematische schending van de zedelijke wet, vooral in de ernstige kwestie
van het respect voor het menselijk leven en zijn waardigheid, een soort
voortschrijdende verduistering van het vermogen om Gods levende en reddende
aanwezigheid waar te nemen.
Opnieuw kunnen het verhaal van de moord
op Abel door zijn broer volgen. Na de vervloeking die God over hem uitspreekt,
keert Kaïn zich aldus tot de Heer: “Die straf is te zwaar om te dragen.
Gij verdrijft mij vandaag van deze grond; en ik zal ver van U moeten blijven;
ik zal een zwerver en een vagebond zijn op de aarde, en ieder die mij ontmoet
kan mij doden”(Gn 4,13-14). Kaïn is ervan overtuigd dat zijn zonde niet
vergeven zal worden door de Heer en dat zijn onontkoombaar lot zal zijn “ver te
moeten blijven”van Hem. Als Kaïn in staat is te belijden dat zijn schuld
“groter is dan hij kan dragen”, dan is dat omdat hij zich ervan bewust is in de
tegenwoordigheid van God te zijn en vóór Gods rechtvaardige
oordeel. Het is inderdaad alleen voor God dat de mens zijn zonde kan toegeven
er de volle zwaarte van kan inzien. Dat was de ervaring van David die, nadat
“hij kwaad had bedreven in de ogen van de Heer”, en terechtgewezen was door de
profeet Nathan, uitriep: “Ik ben mij bewust dat ik schuld heb: steeds ziet wat
ik begaan heb mij aan; tegen U, U alleen was mijn zonde; Gij doorziet het kwaad
dat ik deed”(Ps 51,5-6).
22. Daarom wordt,
als de zin voor God verdwenen is, ook de zin voor de mens bedreigd en
vergiftigd, zoals het Tweede Vaticaans Concilie bondig verklaart: “Zonder de
Schepper verdwijnt het schepsel in het niets (...) maar de godvergetenheid hult
de schepping in duisternis”17. De mens is niet langer in staat
zichzelf te zien als “geheimnisvol anders”dan andere aardse schepsels; hij
beschouwt zichzelf louter als één van de vele levende wezens, als
een organisme dat, op zijn best, een zeer hoge graad van perfectie heeft
bereikt. Opgesloten binnen de enge horizon van zijn fysieke staat wordt hij in
zekere zin teruggebracht tot “een ding”, en begrijpt hij niet meer het
“transcendente”karakter van zijn “bestaan als mens”. Hij beschouwt het leven
niet langer als een schitterende gave van God, iets “heiligs”dat aan zijn
verantwoordelijkheid is toevertrouwd en zo ook aan zijn liefde en zorg en
“verering”. Het leven zelf wordt louter een “ding”dat de mens opeist als zijn
exclusieve eigendom, helemaal onderworpen aan zijn controle en manipulatie.
Zo is de mens, m.b.t. het leven bij de
geboorte of bij de dood, niet langer in staat om de vraag naar de meest ware
zin van zijn eigen bestaan te stellen doordat hij in echte vrijheid deze
cruciale momenten van zijn eigen “zijn”aanneemt. Hij is alleen maar bekommerd
om het “maken”en, terwijl hij alle mogelijke technologieën gebruikt, houdt
hij zich bezig met het programmeren, controleren en beheersen van geboorte en
dood. Geboorte en dood worden van oorspronkelijke ervaringen die
“geleefd”moeten worden, tot dingen die men meent zomaar te kunnen “bezitten”of
“af te wijzen”.
Bovendien: als eenmaal de verwijzing
naar God buitengesloten is, is het niet verwonderlijk dat de betekenis van al
het andere diep verstoord wordt. De natuur zelf wordt van “mater”(moeder) nu
tot “materie”, blootgesteld aan alle mogelijke manipulatie. Dit is de richting
waarin een bepaalde technische en wetenschappelijke denkwijze die in de cultuur
van vandaag overheerst, schijnt te leiden, wanneer zij het idee zelf verwerpt
van een waarheid van het geschapene die erkend moet worden, of van een plan van
God met het leven, dat gerespecteerd moet worden. Iets dergelijks gebeurt
wanneer de bezorgdheid over de gevolgen van zo”n “vrijheid zonder wet”sommige
mensen brengt tot de tegenoverliggende positie van een “wet zonder vrijheid”,
zoals bijvoorbeeld in ideologieën die het onrechtmatig vinden om op
enigerlei wijze in de natuur in te grijpen: daarmee “vergoddelijken”ze haar
a.h.w., een voorstelling die opnieuw de afhankelijkheid van het plan van de
Schepper minacht. Zo is het duidelijk dat het verlies van het contact met Gods
wijze plan de diepste wortel is van de verwarring van de moderne mens, zowel
wanneer dit verlies leidt tot een vrijheid zonder regels als wanneer het de
mens achterlaat in “angst”voor zijn vrijheid.
Door te leven “alsof God niet
bestond”verliest de mens niet alleen het zicht op het mysterie van God, maar
ook op dat van de wereld en dat van zijn eigen wezen.
23. De
verduistering van de zin voor God en voor de mens leidt onvermijdelijk tot een
praktisch materialisme dat individualisme, nuttigheidsdenken en genotzucht
kweekt. Ook hier zien we de blijvende geldigheid van de woorden van de Apostel:
“En omdat zij het niet de moeite waard hebben geacht God te erkennen, heeft God
hen prijsgegeven aan hun nietswaardige gezindheid en ongepast gedrag”(Rom
1,28). De waarden van het zijn worden zo vervangen door die van het hebben. Het
enige doel dat telt is het nastreven van zijn eigen materiële welzijn. De
zogenaamde “kwaliteit van leven”wordt allereerst of uitsluitend beschouwd als
economische doelmatigheid, mateloos consumentisme, lichamelijke schoonheid en
plezier, waarbij de diepere dimensies van het bestaan - intermenselijk,
geestelijk en religieus - worden veronachtzaamd.
Binnen een dergelijke context wordt
lijden, een onontkoombare last van het menselijk bestaan maar ook een factor
van mogelijke persoonlijke groei, “gecensureerd”, verworpen als nutteloos,
zelfs bestreden als een kwaad, dat altijd hoe dan ook vermeden moet worden. Wanneer
het niet vermeden kan worden en het vooruitzicht van tenminste toekomstig
welzijn verdwijnt, dan schijnt het leven alle betekenis te hebben verloren en
groeit de bekoring in de mens om het recht op te eisen, het te stoppen.
In ditzelfde culturele klimaat wordt
het lichaam niet langer gezien als een typisch persoonlijke werkelijkheid, een
teken en een plaats van betrekkingen met anderen, met God en met de wereld. Het
wordt teruggebracht tot pure stoffelijkheid: het is enkel een complex van
organen, functies en krachten, alleen te gebruiken naar de maatstaven van
plezier en doelmatigheid. Dan wordt ook de seksualiteit van haar
persoonlijkheid beroofd en geëxploiteerd: van teken, plaats en taal van de
liefde, dwz. van de gave van zichzelf en het ontvangen van de ander, in heel de
rijkdom van de ander als een persoon, wordt zij meer en meer de gelegenheid en
het middel voor zelfbevestiging en zelfzuchtige bevrediging van persoonlijke
verlangens en instincten. Zo wordt de oorspronkelijke betekenis van de menselijke
seksualiteit misvormd en vervalst en de twee betekenissen die inherent zijn aan
de aard zelf van de huwelijksdaad, nl vereniging en voortplanting, kunstmatig
gescheiden: op deze wijze wordt de huwelijkseenheid verraden en haar
vruchtbaarheid onderworpen aan de willekeur van man en vrouw. Voortplanting
wordt dan de “vijand”die vermeden moet worden bij seksuele activiteit: als zij
wordt toegelaten, dan alleen omdat zij een wens of sterker nog de eigen wil
uitdrukt om een kind te hebben “tegen elke prijs”, en niet omdat zij de
volledige aanvaarding van de ander beduidt en daarom een openheid voor de
rijkdom van het leven die het kind vertegenwoordigt.
In het materialistische perspectief dat
tot hier toe beschreven is, verarmen intermenselijke betrekkingen ernstig. De
eersten die er schade van hebben, zijn vrouwen, kinderen, zieken of lijdenden
en ouderen. De maatstaf van de persoonlijke waardigheid - die eerbied,
edelmoedigheid en dienst vraagt - wordt vervangen door het criterium van
doelmatigheid, functionaliteit en nut: de ander wordt gewaardeerd, niet om wat
hij “is”, maar om wat hij “heeft, doet en presteert”. Dit is de suprematie
van de sterken over de zwakken.
24. Juist in het
hart van het zedelijk geweten vindt de verduistering van de zin voor God en
voor de mens met al haar verschillende en dodelijke gevolgen voor het leven,
plaats. Het is bovenal een zaak van het individuele geweten, dat in zijn eigenheid
en uniciteit alleen is met God 18. Maar het is ook in zekere
zin een zaak van het “morele geweten”van de samenleving: die is op een bepaalde
wijze ook verantwoordelijk. Niet alleen omdat ze gedrag dat tegengesteld is aan
het leven duldt of koestert, maar ook omdat ze de “cultuur van de
dood”aanmoedigt, doordat ze echte “structuren van zonde”schept en in stand
houdt, die tegen het leven ingaan. Het morele geweten, zowel individueel als
sociaal, is tegenwoordig als gevolg van de doordringende invloed van de media,
blootgesteld aan een uiterst ernstig en dodelijk gevaar: dat van verwarring
tussen goed en kwaad, juist m.b.t. het fundamentele recht op leven. Een groot
deel van de huidige samenleving ziet er triest uit, zoals die mensheid, die
Paulus beschrijft in zijn brief aan de Romeinen. Die is samengesteld “uit
mensen die door hun slechtheid de waarheid onderdrukken”(1,18): nadat zij God
hebben ontkend en geloven dat zij de aardse stad kunnen bouwen zonder Hem,
“liep hun denken op niets uit”, zodat “hun geest die het inzicht verwierp werd
verduisterd”(1,21); “terwijl zij beweerden dat ze wijs waren, werden zij
dwazen”(1,22): ze voerden werken uit, die de dood verdienden, en “zij doen die
niet alleen, maar juichen ze ook toe bij anderen”(1,32). Wanneer het geweten,
dit lichtende oog van de ziel (vgl.Mt 6,22-23), “het kwade goed en het goede
kwaad”(Js 5,20) noemt, dan is het al op de weg van alarmerende corruptie en
donkerste morele blindheid. En toch, alle opzet en alle inspanning om stilte op
te leggen, kunnen de stem van de Heer niet smoren, die weerklinkt in het
geweten van iedere mens afzonderlijk. Een nieuwe tocht van liefde, openheid en
dienst aan het menselijk leven kan altijd juist vanuit dit intieme heiligdom
van het geweten beginnen.
|