|
31.
De volheid van de evangelieboodschap over het leven werd voorbereid in het Oude
Testament. Vooral in de gebeurtenissen van de Exodus, het hart van de
geloofservaring van het Oude Testament, ontdekte Israël de kostbaarheid
van zijn leven in de ogen van God. Toen het tot uitroeiing gedoemd scheen
wegens de doodsdreiging die over al zijn pasgeboren jongens hing (vgl.Ex
1,15-22), openbaarde de Heer zichzelf aan Israël als zijn verlosser, met
de macht om een toekomst te verzekeren voor hen die zonder hoop waren. Zo
krijgt Israël het duidelijke besef dat zijn bestaan niet afhangt van een
farao die het kan uitbuiten met despotische willekeur. Integendeel,
Israëls leven is het voorwerp van Gods tedere en sterke liefde.
Bevrijding van slavernij is de
schenking van een identiteit, de erkenning van een onvernietigbare waardigheid
en het begin van een nieuwe geschiedenis, waarin de ontdekking van God en de ontdekking
van zichzelf hand in hand gaan. De Exodus is een “basiservaring”en een model
voor de toekomst. Door die ervaring komt Israël tot het besef dat wanneer
zijn bestaan bedreigd wordt, het zich slechts tot God hoeft te wenden met
hernieuwd vertrouwen, om bij Hem effectieve hulp te vinden: “Ik heb u gevormd,
u bent mijn dienaar; o Israël, u zult door Mij niet vergeten worden”(Js
44,21).
Zo vordert Israël, terwijl het de
waarde leert kennen van zijn eigen bestaan als een volk, ook in zijn begrip van
de betekenis en van de waarde van het leven zelf. Deze overweging wordt
specifieker ontwikkeld in de wijsheidliteratuur, op basis van de dagelijkse
ervaring van de onbestendigheid van het leven en van het besef van de
bedreigingen die het belagen. Tegenover de tegenstellingen van het bestaan
wordt het geloof uitgedaagd tot een antwoord.
Meer dan iets anders is het het
probleem van het lijden dat het geloof uitdaagt en op de proef stelt. We moeten
wel waardering hebben voor de universele smart van de mens, wanneer we
mediteren over het boek Job. De onschuldige man, overweldigd door lijden, gaat
zich, begrijpelijkerwijs, afvragen: “Waarom is het licht gegeven aan hem die in
ellende is, en leven aan wie bitter zijn in de ziel, die verlangen naar de
dood, maar zij komt niet, en die er meer naar zoeken dan naar verborgen
schatten?”(3,20-21). Maar zelfs in de diepste duisternis dwingt het geloof naar
de erkenning van het “mysterie”, vol vertrouwen en aanbidding: “Ik weet dat U
alles kunt en dat voor u niets onmogelijk is”(Job 42,2).
De openbaring maakt de kiem van
onsterfelijk leven die door de Schepper in het mensenhart is geplant steeds
begrijpelijker worden, met steeds grotere helderheid: “Hij heeft alles
goedgemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij eeuwigheid gelegd in hun hart”(Pr
3,11). Deze kiem van universaliteit en volheid wacht erop om zichtbaar te
worden in de liefde en zich te vervullen, door Gods vrije gave, door deelname
aan zijn eeuwige leven.
|