|
32.
De ervaring van het volk van het Verbond wordt vernieuwd in de ervaring van
alle “armen”die Jezus van Nazareth ontmoeten. Net als God “die houdt van wat
leeft”(vgl.W 11,26) Israël had gerustgesteld temidden van het gevaar, zo
verkondigt de Zoon van God nu, aan allen die zich bedreigd en belaagd voelen,
dat hun levens ook een goed zijn waaraan de liefde van de Vader betekenis en
waarde geeft.
“Blinden zien, lammen lopen, melaatsen
worden gereinigd, doven horen, doden staan op, aan de armen wordt de Blijde
Boodschap verkondigd”(Lc 7,22). Met deze woorden van de profeet Jesaja (35,5-6;
61,1), stelt Jezus de betekenis van zijn eigen zending voor: alwie lijden omdat
hun bestaan op een of andere wijze “verminderd”is, horen zo van Hem het goede
nieuws van Gods bekommernis met hen en zij weten zeker dat ook hun leven een
gave is, waarover zorgvuldig gewaakt wordt in de handen van de Vader (vgl.Mt
6,25-34).
Bovenal zijn het de “armen”tot wie
Jezus spreekt in zijn verkondiging en in zijn daden. De menigten zieken en
uitgestotenen, die Hem volgen en Hem zoeken (vgl.Mt 4,23-25) vinden in zijn
woorden en daden geopenbaard dat hun leven grote waarde heeft en dat hun hoop
op redding goed gefundeerd is.
Hetzelfde vindt vanaf het begin plaats
in de zending van de Kerk. Wanneer de Kerk Jezus verkondigt als degene die
“weldoende rondging, allen genezend die onder de macht van de duivel stonden,
want God was met Hem”(Hnd 10,38), dan is zij er zich van bewust dat zij een
boodschap van verlossing draagt die in al haar nieuwheid precies temidden van
de ontberingen en de armoede van het menselijk leven weerklinkt. Petrus genas
de kreupele die dagelijks aalmoezen vroeg bij de “Schone Poort”van de tempel in
Jeruzalem, met de woorden: “Ik heb geen zilver en goud, maar wat ik heb geef ik
je: in de Naam van Jezus Christus van Nazareth, wandel!”(Hnd 3,6). Door het
geloof in Jezus, “de Leidsman ten leven”(Hnd 3,15) herwint het leven dat
verlaten ligt en om hulp roept, besef van eigenwaarde en volle waardigheid.
De woorden en daden van Jezus en van
zijn Kerk zijn niet alleen bedoeld voor hen die ziek zijn en die lijden, of die
op enigerlei wijze veronachtzaamd zijn door de maatschappij. Op een dieper vlak
raken zij de ware betekenis van het leven van elke mens in zijn zedelijke en
geestelijke dimensies. Alleen zij die erkennen dat hun leven getekend is door
het kwaad van de zonde, kunnen in een ontmoeting met Jezus de Redder de
waarheid en de authenticiteit van hun eigen bestaan ontdekken. Jezus zegt zelf:
“Zij die gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar de zieken; ik ben niet
gekomen om de rechtvaardigen, maar de zondaars op te roepen tot berouw”(Lc 5,31-32).
Maar de mens die, zoals de rijke
landeigenaar in de parabel, denkt dat hij zijn leven zeker kan stellen door het
bezit van materiële goederen alleen, houdt zichzelf voor de gek. Het leven
ontglipt hem, en hij zal het zeer spoedig verliezen, zonder zelfs zijn echte
betekenis te hebben ingezien: “Dwaas! Deze nacht wordt van jou je ziel
opgeëist. En de dingen die je hebt bereid, van wie zullen die zijn?”(Lc
12,20).
33. In Jezus
eigen leven vinden we van het begin tot het eind, een bijzondere
“dialectiek”tussen de ervaring van de onzekerheid van het menselijk leven en de
bevestiging van zijn waarde. Jezus”leven wordt getekend door onzekerheid, al
vanaf het moment van zijn geboorte. Hij wordt zeker aanvaard door de
rechtvaardigen, die instemmen met Maria”s onmiddellijke en vreugdevolle
“ja”(vgl.Lc 1,38). Maar er is ook, vanaf het begin, de afwijzing door een
wereld die vijandig optreedt en het Kind zoekt om “het te doden”(Mt 2,13); een
wereld die onverschillig en onaangedaan blijft t.a.v. de vervulling van het
mysterie van dit leven dat in de wereld komt: “er was geen plaats voor hen in
de herberg”(Lc 2,7). In deze tegenstelling tussen bedreigingen en onzekerheid
aan de ene kant en de macht van Gods gaven aan de andere kant, straalt des te
helderder de heerlijkheid door, die uitgaat van het huis in Nazareth en van de
kribbe in Bethlehem: dit leven dat is geboren, betekent redding voor de hele
mensheid (vgl.Lc 2,11).
De tegenstellingen en risico”s van het
leven werden door Jezus volledig aanvaard: “Ofschoon Hij rijk was, werd hij
voor ons arm, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden”(2 Kor 8,9). De
armoede waarvan Paulus spreekt is niet alleen een beroving van goddelijke
voorrechten, maar ook deelname aan de laagste en kwetsbaarste omstandigheden
van het menselijk leven (vgl.Fil 2,6-7). Jezus beleefde deze armoede zijn leven
lang, tot aan het hoogtepunt van het Kruis: “Hij vernederde zichzelf en werd
gehoorzaam tot de dood, zelfs tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem
hoog verheven en Hem de naam verleend die boven elke naam is”(Fil 2,8-9). Juist
door zijn dood openbaart Jezus heel de schittering en waarde van het leven,
omdat zijn zelfgave aan het kruis de bron wordt van nieuw leven voor alle
mensen (vgl.Joh 12,32). Op zijn tocht temidden van tegenstellingen en zelfs in
het verlies van zijn leven wordt Jezus geleid door de zekerheid dat zijn leven
in handen is van de Vader. Aan het kruis kan Hij dan ook tot Hem zeggen:
“Vader, in uw handen beveel ik mijn geest”(Lc 23,46), d.w.z. mijn leven.
Waarlijk groot moet de waarde van het menselijk leven zijn als de Zoon van God
het aangenomen heeft en het gemaakt heeft tot middel voor de redding van de
hele mensheid!
|