|
34.
Het leven is altijd een goed. Dit is een instinctieve gewaarwording of zelfs een ervaringsfeit, en de
mens wordt geroepen om de diepe reden daarvan te begrijpen.
Waarom is het leven een goed? Deze vraag
vindt men overal in de Bijbel, en vanaf de allereerste bladzijde krijgt ze een
krachtig en verbazingwekkend antwoord. Het leven dat God aan de mens geeft is
geheel verschillend van het leven van alle andere levende schepselen, omdat de
mens, ofschoon gevormd uit het stof van de aarde (vgl.Gn 2,7; 3,19; Job 34,15;
Ps 103 [102],14; 104 [103],29), een manifestatie is van God in de wereld, een
teken van zijn aanwezigheid, een spoor van zijn heerlijkheid (vgl.Gn 1,26-27;
Ps 8,6). Dit is wat de H. Ireneüs van Lyon wilde benadrukken in zijn
beroemde omschrijving: “de levende mens is de heerlijkheid van God”23.
Aan de mens is een sublieme waardigheid gegeven, gebaseerd op de innige band
die hem verenigt met zijn Schepper: in de mens schittert een weerspiegeling van
de werkelijkheid van God zelf.
Het boek Genesis bevestigt dit wanneer
het in het eerste scheppingsverslag de mens plaatst als hoogtepunt van Gods
scheppende activiteit, als de bekroning ervan, aan het einde van een proces dat
leidt van ordeloze chaos tot het meest volmaakte schepsel. Alles in de
schepping is bestemd voor de mens en alles is aan hem onderworpen: “Bevolk de
aarde en onderwerp haar; en heers over (...) al wat leeft”(1,28); dit is Gods bevel
aan de man en de vrouw. Een soortgelijke boodschap staat ook in het tweede
scheppingsverslag: “De Heer God nam de mens en plaatste hem in de tuin van
Eden, om die te bewerken en te bewaken”(Gn 2,15). We zien hier een duidelijke
bevestiging van het primaat van de mens over de dingen; deze zijn aan hem
onderworpen en toevertrouwd aan zijn verantwoordelijke zorg, terwijl hij om
geen enkele reden onderworpen kan zijn aan andere mensen en a.h.w.
teruggebracht tot het niveau van een ding.
In de bijbelse vertelling wordt het
verschil tussen de mens en andere schepselen vooral getoond door het feit dat
alleen de schepping van de mens gepresenteerd wordt als het resultaat van een
speciale beslissing van de kant van God, een besluit om een bijzondere en
specifieke verbintenis met de Schepper te te creëren: “Laat ons de mens
maken naar ons beeld en onze gelijkenis”(Gn 1,26). Het leven dat God de mens
aanbiedt is een gave waardoor God iets van zichzelf deelt met zijn schepsel.
Israël zou uitvoerig zoeken naar
de betekenis van deze bijzondere verbintenis tussen de mens en God. Ook het
boek Sirach erkent dat God bij de schepping van de mensen “hen begiftigde met
kracht als die van hemzelf en hen maakte naar zijn eigen beeld”(17,3). De
bijbelse schrijver ziet als een deel van dit beeld niet alleen de heerschappij
van de mens over de wereld, maar ook die geestelijke vermogens die het meest
eigen zijn aan de mens, zoals het verstand, het onderscheid tussen goed en
kwaad, en de vrije wil: “Hij vulde hen met kennis en begrip en liet hen goed en
kwaad zien”(Sir 17,7). Het vermogen om waarheid en vrijheid te verwerven zijn
voorrechten van de mens geschapen naar het beeld van zijn Schepper, God, die de
ware en rechtvaardige is (vgl.Dt 32,4). Onder alle zichtbare schepselen, is
alleen de mens “in staat om zijn Schepper te kennen en te beminnen”24.
Het leven dat God de mens geeft is veel meer dan een louter bestaan in de tijd.
Het is een streven naar de volheid van leven; het is de kiem van een bestaan
dat de grenzen van de tijd zelf overstijgt: “Want God schiep de mens voor de
onbederflijkheid en maakte hem naar het beeld van zijn eigen Wezen”(W 2,23).
35. Het
scheppingsverhaal van de Jahwist drukt dezelfde overtuiging uit. Dit oude
verhaal spreekt van een goddelijke adem die in de mens wordt geblazen opdat hij
tot leven komt: “De Heer God vormde de mens uit het stof van de grond en ademde
in zijn neusgaten de levensadem en de mens werd een levend wezen”(Gn 2,7).
De goddelijke oorsprong van deze
levensgeest verklaart de eeuwige onvoldaanheid die de mens voelt zolang hij op
aarde is. Omdat hij door God gemaakt is, en in zich een onuitwisbaar merkteken
van God draagt, wordt de mens van nature naar God toegetrokken. Wanneer hij de
diepe verlangens van zijn hart hoort, moet iedere mens de woorden van waarheid
tot de zijne maken die Sint Augustinus uitsprak: “U hebt ons gemaakt voor
Uzelf, o Heer, en ons hart is onrustig totdat het rust in U”25.
Vol betekenis is de onvoldaanheid die
het leven van de mens in Eden tekent zolang zijn enige referentiepunt de wereld
van planten en dieren is (vgl.Gn 2,20). Alleen de verschijning van de vrouw,
een wezen dat vlees is van zijn vlees en been van zijn beenderen (vgl.Gn 2,23),
en in wie de geest van God de Schepper ook levend is, kan de behoefte aan
intermenselijke dialoog bevredigen die zo vitaal is voor het menselijk bestaan.
In de ander, man of vrouw, is een weerspiegeling van God zelf, het definitieve
doel en de vervulling van iedere persoon.
“Wat is de mens dat Gij aan hem denkt,
en de zoon van de mens dat gij hem aanziet?”, vraagt de Psalmist (Ps 8,5).
Vergeleken met de onmetelijkheid van het heelal is de mens erg klein; en toch
openbaart dit contrast zijn grootheid: “U hebt hem weinig minder gemaakt dan
een god, en kroont hem met heerlijkheid en eer”(Ps 8,6). De heerlijkheid van
God licht op in het gezicht van de mens. In hem vindt de Schepper zijn rust,
zoals de H. Ambrosius met ontzag en bewogenheid opmerkt: “De zesde dag is
afgelopen en de schepping van de wereld eindigt met de vorming van dat
meesterwerk dat de mens is, die de heerschappij uitoefent over alle levende
schepselen en als het ware de kroon is van het heelal en de hoogste schoonheid
van ieder geschapen wezen. We zouden waarachtig een eerbiedig stilzwijgen
moeten bewaren, aangezien de Heer rustte van ieder werk dat Hij had ondernomen
in de wereld. Hij rustte toen in de diepten van de mens. Hij rustte in de geest
van de mens en in zijn denken; want Hij had de mens geschapen, begiftigd met
rede, in staat Hem na te volgen, om te trachten zijn deugden te evenaren, om te
dorsten naar hemelse genade. In deze gaven van Hem rust God uit, die gezegd
heeft: “Op wie zal ik rusten, tenzij op hem die nederig is, gebroken van hart
en die beeft voor mijn woord?”(Js 66,1-2). Ik dank de Heer onze God die een zo
prachtig werk heeft geschapen om daarin zijn rust te vinden”26.
36. Helaas werd
Gods verbazende plan overschaduwd door de verschijning van de zonde in de
geschiedenis. Door de zonde rebelleert de mens tegen zijn Schepper en komt
tenslotte tot het aanbidden van schepselen: “Ze vervingen de waarheid over God
door een leugen en aanbaden het schepsel liever dan de Schepper”(Rom 1,25). Als
gevolg daarvan vervormt de mens niet alleen het beeld van God in zijn eigen
persoon, maar wordt hij ook verleid tot beledigingen daartegen in andere,
doordat hij gemeenschapsbetrekkingen vervangt door houdingen van wantrouwen,
onverschilligheid, vijandigheid en zelfs moorddadige haat. Wanneer God niet
erkend wordt als God, dan wordt de diepe betekenis van de mens verraden en
wordt de gemeenschap onder de mensen aangetast.
In het leven van de mens licht Gods
beeld opnieuw op en wordt het opnieuw geopenbaard in al zijn volheid met de
komst van de Zoon van God in het menselijk vlees: “Christus is het beeld van de
onzichtbare God”(Kol 1,15), “Hij weerspiegelt de heerlijkheid van God en is het
evenbeeld van zijn wezen”(Heb 1,3). Hij is het volmaakte beeld van de Vader.
Het plan van het leven dat aan de
eerste Adam werd gegeven, vindt tenslotte zijn vervulling in Christus. Waar de
ongehoorzaamheid van Adam Gods plan voor het menselijk leven had vernield en
verduisterd en de dood in de wereld had gebracht, is de verlossende
gehoorzaamheid van Christus de bron van genade die over het mensenras is
uitgestort, waarbij ze voor iedereen de poorten van het koninkrijk des levens
ver open zet (vgl.Rom 5,12-21). Zoals de apostel Paulus stelt: “De eerste mens,
Adam, werd een levend wezen, de laatste Adam werd een levendmakende Geest”(1
Kor 15,45).
Allen die zich ervoor inzetten Christus
te volgen, ontvangen de volheid van leven: het goddelijke beeld wordt in hen
hersteld, vernieuwd en tot volmaaktheid gebracht. Dit is het plan van God met
de mensen: dat ze “gelijkvormig zouden worden aan het beeld van zijn Zoon”(Rom
8,29). Alleen zo, in de schittering van dit beeld, kan de mens bevrijd worden
van de slavernij van de afgodendienst, de verloren broederschap herstellen, en
zijn ware identiteit herontdekken.
|