|
37.
Het leven dat de Zoon van God aan de mensen kwam brengen kan niet worden
teruggebracht tot een louter bestaan in de tijd. Het leven dat altijd “in
Hem”was, en dat is “het licht van de mensen”(Joh 1,4), bestaat in het verwekt
zijn door God en het delen in de volheid van zijn liefde: “Aan allen die Hem
opnamen, die geloofden in zijn Naam, gaf Hij de macht om kinderen van God te worden,
die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man,
maar uit God geboren zijn”(Joh 1,12-13).
Soms verwijst Jezus naar dit leven dat
Hij kwam brengen eenvoudig als naar “het leven”; en Hij presenteert het geboren
zijn uit God als een noodzakelijke voorwaarde als de mens het doel wil bereiken
waarvoor God hem geschapen heeft: “Tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij
het rijk van God niet zien”(Joh 3,3). Dit leven te geven is het ware doel van
Jezus”zending: Hij “is degene die neerdaalt van de hemel en leven geeft aan de
wereld”(Joh 6,33), aldus kan Hij naar waarheid zeggen: “Wie mij volgt(...) zal
het licht van het leven hebben”(Joh 8,12).
Op andere momenten spreekt Jezus van
“eeuwig leven”: hier doet het bijvoeglijk naamwoord meer dan louter een
perspectief oproepen dat verder dan de tijd reikt. Het leven dat Jezus belooft
en geeft is “eeuwig”, omdat het een volle deelname is aan het leven van de
“Eeuwige”. Alwie gelooft in Jezus en in gemeenschap met Hem komt, heeft eeuwig
leven (vgl.Joh 3,15; 6,40), omdat hij van Jezus de enige woorden hoort die aan
zijn bestaan de volheid van het leven openbaren en meedelen; dit zijn de
“woorden van eeuwig leven”die Petrus erkent in zijn geloofsbelijdenis: “Heer,
naar wie zouden wij gaan? U hebt woorden van eeuwig leven”; wij hebben geloofd
en erkend dat U de Heilige van God bent”(Joh 6,68-69). Wanneer Hij tot de Vader
spreekt in het hogepriesterlijk gebed, verklaart Jezus zelf waar het eeuwige
leven in bestaat: “Dit is het eeuwige leven: dat zij U kennen, de enige ware
God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus”(Joh 17,3). God en zijn Zoon
kennen is het mysterie aanvaarden van de liefhebbende gemeenschap van de Vader,
de Zoon en de Heilige Geest in zijn eigen leven, dat nu reeds openstaat naar
het eeuwig leven omdat het deelt in het leven van God.
38. Het eeuwig
leven is daarom het leven van God zelf en tegelijk het leven van de kinderen
van God. Wanneer zij zich verbazen over deze onverwachte en onuitsprekelijke
waarheid die tot ons komt van God in Christus, moeten gelovigen wel steeds
opnieuw verbaasd zijn en grenzeloos dankbaar. In de woorden van de
apostel Johannes kunnen zij zeggen: “Zie, welke liefde de Vader ons gegeven heeft!
Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook!(...) Dierbaren, nu
reeds zijn wij kinderen van God, en wat we zullen zijn, is nog niet
geopenbaard. Maar wij weten dat, wanneer Hij verschijnt, wij als Hij zullen
zijn, want wij zullen Hem zien zoals Hij is”(1 Joh 3,1-2).
Hier bereikt de christelijke waarheid
omtrent het leven het hoogtepunt. De waardigheid van dit leven wordt niet
alleen verbonden met zijn begin, met het feit dat het van God komt, maar ook
met zijn eind, met zijn bestemming van gemeenschap met God in kennis van en
liefde voor Hem. In het licht van deze waarheid preciseert en voltooit de
H.Ireneüs zijn lofprijzing van de mens: “de glorie van God”, is,
inderdaad, “de levende mens”, maar “het leven van de mens bestaat in het zien
van God”27.
Onmiddellijke gevolgen komen hieruit
voort voor het menselijk leven in zijn aardse staat, waarin trouwens het eeuwig
leven reeds ontkiemt en begint te groeien. Ofschoon de mens instinctief houdt
van het leven, omdat het een goed is, zal deze liefde verdere inspiratie en
kracht vinden en nieuwe breedte en diepte in de goddelijke dimensies van dit
goed. Op dezelfde wijze kan de liefde die ieder menselijk wezen heeft voor het
leven, niet zo maar herleid worden tot een wens om genoeg ruimte te hebben voor
zelfontplooiing en voor het aangaan van relaties met anderen. Zij ontwikkelt
zich eerder in een vreugdevol besef dat het leven de “plaats”kan worden waar
God zichzelf toont, waar we Hem ontmoeten en waar wij in gemeenschap met Hem
komen. Het leven dat Jezus geeft vermindert in geen enkel opzicht de waarde van
ons bestaan in de tijd; het neemt het op en richt het op zijn uiteindelijke
bestemming: “Ik ben de verrijzenis en het leven(...); wie leeft en gelooft in
Mij zal nooit sterven”(Joh 11,25.26).
|