|
39.
Het leven van de mens komt van God; het is zijn gave, zijn beeld en evenbeeld,
een delen in zijn levensadem. God is, daarom, de enige Heer van dit leven: de
mens kan er niet mee doen zoals hij wil. God zelf maakt dit duidelijk aan Noach
na de zondvloed: “Ook uw eigen bloed zal ik terugeisen, en ook van de mensen
onderling, zal ik het leven van de mens terugeisen”(Gn 9,5). De bijbelse tekst
onderstreept nadrukkelijk hoe de heiligheid van het leven haar basis heeft in
God en in zijn scheppende activiteit: “Want God heeft de mens gemaakt naar zijn
beeld”(Gn 9,6).
Het leven en de dood van de mens zijn
dus in de handen van God, in zijn macht: “In zijn hand is het leven van ieder
levend ding en de adem van heel de mensheid”, roept Job uit (12,10). “De Heer
brengt ter dood en brengt tot leven, Hij brengt tot diep in de hel en doet
opstaan”(1Sam 2,6). Hij alleen kan zeggen: “Ik ben het die zowel de dood als
het leven breng”(Dt 32,39).
Maar God oefent deze macht niet uit op
een willekeurige en dreigende wijze, maar eerder als deel van zijn zorg voor en
zijn liefdevolle bekommernis met zijn schepselen. Als het waar is dat het
menselijk leven in de handen is van God, dan is het niet minder waar dat dit
liefdevolle handen zijn, zoals die van een moeder die haar kind opneemt, voedt
en verzorgt: “Ik liet mijn ziel bedaren en verstillen, zoals een kind aan de borst
van zijn moeder, zoals een kind bij zijn moeder is mijn ziel”(Ps 131,2; vgl.Js
49,15; 66,12-13; Hos 11,4). Zo ziet Israël in de geschiedenis van de
volken en in de bestemming van enkelingen niet de afloop van louter toeval of
van een blind lot, maar liever de resultaten van een liefdevol plan, waarmee
God alle mogelijkheden van het leven samenbrengt en de krachten van de dood die
voortkomen uit de zonde, bestrijdt: “God heeft de dood niet gemaakt en Hij
verheugt zich niet over de dood van de levenden. Want Hij schiep alle dingen
opdat zij zouden bestaan”(W 1,13-14).
40. Uit de
heiligheid van het leven ontstaat zijn onschendbaarheid, die vanaf het begin in
het mensenhart geschreven staat, in zijn geweten. De vraag “Wat heb je
gedaan?”(Gn 4,10), die God aan Kaïn stelt, nadat hij zijn broer Abel heeft
gedood, vertolkt de ervaring van iedere persoon: in de diepten van zijn geweten
wordt de mens altijd herinnerd aan de onaantastbaarheid van het leven - zijn
eigen leven en dat van anderen - als iets dat niet van hem is, omdat het
eigendom en gave is van God de Schepper en Vader.
Het gebod betreffende de
onaantastbaarheid van het menselijk leven weerklinkt in het hart van de “tien
woorden”in het Verbond van de Sinaï (vgl.Ex 34,28). Op de eerste plaats
verbiedt dat gebod moord: “Gij zult niet doden”(Ex 20,13); “Gij zult geen
onschuldigen en rechtvaardigen doden”(Ex 23,7); maar - zoals nader is
uitgewerkt in Israëls latere wetgeving - verbiedt het ook iedere
persoonlijke verwonding van iemand anders (vgl.Ex 21,12-27). Natuurlijk moeten
we erkennen dat in het Oude Testament deze betekenis van de waarde van het
leven, ofschoon reeds zeer duidelijk aangegeven, nog niet de verfijning bereikt
die men vindt in de Bergrede. Dat blijkt uit sommige aspecten van de toenmalige
strafwet, die ernstige vormen van lijfstraffen en zelfs de doodstraf kende.
Maar de alles omvattende boodschap, die het Nieuwe Testament tot volmaaktheid
zal brengen, is een krachtig appel tot eerbied voor de onaantastbaarheid van
het fysieke leven en de integriteit van de persoon. Het vindt zijn hoogtepunt
in het positieve gebod, dat ons verplicht om verantwoordelijk te zijn voor onze
naaste als voor onszelf: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”(Lv 19,18).
41. Het gebod
“Gij zult niet doden”, ingesloten en vollediger uitgedrukt in het positieve
gebod van liefde voor de naaste, wordt herbevestigd in al zijn kracht door de
Heer Jezus. Tot de rijke jongeman die Hem vraagt: “Rabbi, wat voor goeds moet
ik doen om het eeuwig leven te verwerven?”, antwoordt Hij: “Als je het leven
wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden”(Mt 19,16.17). En Hij haalt als
eerste van deze geboden aan: “Gij zult niet doden”. In de Bergrede vraagt Jezus
van zijn leerlingen een gerechtigheid die die van de schriftgeleerden en
farizeers overstijgt, ook m.b.t. de eerbied voor het leven: “Gij hebt gehoord
dat er gezegd werd tot de ouden: Gij zult niet doden; en alwie doodt zal
strafbaar zijn voor het gerecht. Maar ik zeg u, dat alwie vertoornd is op zijn
broeder, strafbaar zal zijn voor het gerecht”(Mt 5,21-22).
Door zijn woorden en daden laat Jezus
verder de positieve vereisten zien van het gebod dat betrekking heeft op de
onaantastbaarheid van het leven. Deze vereisten waren reeds aanwezig in het
Oude Testament, waar de wetgeving de bescherming en verdediging van het leven
behandelde wanneer dat zwak en bedreigd was: in het geval van vreemdelingen,
weduwen, wezen, de zieken en de armen in het algemeen, inclusief de kinderen in
de moederschoot (vgl.Ex 21,22; 22,20-26). Met Jezus krijgen deze positieve
vereisten nieuwe kracht en nieuwe urgentie en worden zij geopenbaard in al hun
breedte en diepte. Ze gaan van de zorg voor het leven van zijn broeder (een
natuurlijke broer, iemand die tot hetzelfde volk hoort, of een vreemde die in
het land van Israël leeft) tot het tonen van bekommernis met de
vreemdeling, zelfs tot het beminnen van de vijand.
Een vreemdeling is niet langer een
vreemdeling voor de persoon die de naaste moet worden van iemand in nood, zo,
dat deze verantwoordelijkheid aanvaardt voor zijn leven, zoals de parabel van
de barmhartige Samaritaan zo duidelijk laat zien (vgl.Lc 10,25-37). Zelfs een
vijand houdt op een vijand te zijn voor degene die verplicht is hem te beminnen
(vgl.Mt 5,38-48; Lc 6,27-35), hem “goed te doen”(vgl.Lc 6,27.33.35), en zijn
onmiddellijke behoeften direct, en zonder terugbetaling te verwachten, te
beantwoorden (vgl.Lc 6,34-35). De hoogste graad van deze liefde is te bidden
voor zijn vijand: daardoor bereiken we overeenstemming met de
providentiële liefde van God: “Maar Ik zeg u: bemint uw vijanden en bidt
voor wie u vervolgen, opdat u kinderen bent van uw hemelse Vader: want Hij laat
de zon opgaan over slechten en goeden en doet het regenen over de
rechtvaardigen en de onrechtvaardigen”(Mt 5,44-45; vgl.Lc 6,28.35).
Zo is het diepste element van Gods
gebod om het menselijk leven te beschermen de eis tot eerbied en liefde voor
iedere persoon en voor zijn leven. Dit is de leer die de Apostel Paulus, in een
herhaling van de woorden van Jezus, tot de christenen in Rome richt: “De
geboden: “Gij zult niet echtbreken, niet doden, niet stelen, niet begeren”en
alle andere kan men samenvatten in deze zin: “Bemin uw naaste als uzelf”.
Liefde doet de naaste geen kwaad; liefde vervult de hele wet”(Rom 13,9-10).
|