|
42.
De verdediging en bevordering van het leven, de eerbiediging ervan en de liefde
ervoor is een taak die God aan iedere mens toevertrouwt, wanneer Hij hem roept
als zijn levende beeld om te delen in zijn heerschappij over de wereld: “God
zegende hen en God zei tot hen: “Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en
bevolkt de aarde en onderwerpt haar; en beheerst de vissen van de zee en de
vogels in de lucht en alles wat beweegt op de aarde””(Gn 1, 28).
De bijbelse tekst laat duidelijk de
breedte en de diepte zien van de heerschappij die God de mens geeft. Het is in
de eerste plaats een zaak van heerschappij over de aarde en over elk levend
wezen, zoals het boek der Wijsheid duidelijk maakt: “God van de vaderen, Heer
van de ontferming (...) in uw wijsheid hebt U de mens toegerust om te heersen
over de schepselen die U gemaakt hebt, om de wereld te besturen in heiligheid
en gerechtigheid”(W 9,1.2-3). Ook de Psalmist verheerlijkt de heerschappij die
aan de mens gegeven is als een teken van heerlijkheid en eer van zijn Schepper:
“U hebt hem heerschappij gegeven over de werken van uw handen; u hebt alles
onder zijn voeten gelegd, alle schapen en runderen, en ook de dieren van het
veld, de vogels in de lucht en de vissen in de zee, alles wat de paden van de
zee doorloopt”(Ps 8,6-8).
Geroepen om de tuin der wereld te verzorgen
en te bewaken (vgl.Gn 2,15), heeft de mens een specifieke verantwoordelijkheid
jegens de omgeving waarin hij leeft, jegens de schepping die God ten dienste
van zijn persoonlijke waardigheid heeft gesteld, van zijn leven, niet alleen
voor het heden maar ook voor toekomstige generaties. Het ecologische vraagstuk
- van het behoud van het natuurlijke leefgebied van de verschillende soorten
dieren en van andere levensvormen tot en met de eigenlijke “menselijke
ecologie”28 - vindt in de Bijbel een duidelijke en sterke
ethische richting, die leidt tot een oplossing die het grote goed van het leven
eerbiedigt, van ieder leven. Immers: “de heerschappij die de Schepper gegeven
heeft aan de mens, is geen absolute macht; men kan evenmin spreken van vrijheid
“om te gebruiken of misbruiken”of om naar willekeur te beschikken over de
dingen. De beperking die de Schepper zelf vanaf het begin opgelegd heeft en die
symbolisch uitgedrukt is door het verbod om “de vrucht van de boom te eten”(vgl
Gn, 2,16-17) toont voldoende duidelijk aan dat wij m.b.t. de zichtbare natuur
onderworpen zijn aan wetten die niet alleen biologisch maar ook moreel zijn en
die niet ongestraft overtreden kunnen worden”29.
43. Een zekere
deelname van de mens in de heerschappij van God is ook zichtbaar in de
specifieke verantwoordelijkheid die hem gegeven is voor het menselijk leven als
zodanig. Het is een verantwoordelijkheid die haar hoogtepunt bereikt in de
schenking van het leven door de voortplanting door man en vrouw in het
huwelijk, zoals het Tweede Vaticaans Concilie leert: “God zelf die gezegd
heeft: “het is niet goed voor de mens, dat hij alleen blijft (Gn 2,18) en die
“in het begin de mens als man en vrouw gemaakt heeft”(Mt 19,4), heeft in zijn
wil om de mens op een wel bijzondere wijze deel te laten nemen in zijn eigen
scheppingswerk, man en vrouw gezegend, zeggend “weest vruchtbaar en
vermenigvuldigt u”(Gn 1,28) 30.
Door te spreken van “een zekere
speciale deelname”van man en vrouw in het “scheppingswerk”van God, wil het
Concilie duidelijk maken dat het krijgen van een kind een gebeurtenis is die
diep menselijk is en vol godsdienstige betekenis, omdat ze beide echtgenoten
betreft die “een vlees”(Gn 2,24) vormen, en God die zich tegenwoordig stelt. Zoals
ik in mijn Brief aan de Gezinnen schreef: “Als uit de echtelijke eenheid van de
twee een nieuwe persoon geboren wordt, brengt deze zelf een bepaald beeld van
en een bepaalde gelijkenis met God met zich: de afkomst van de persoon staat
gegrift in de biologie van de voortplanting zelf. Als we beweren dat de
echtgenoten als ouders met de Schepper meewerken in de ontvangenis en de
geboorte van een nieuw menselijk wezen, hebben we het niet alleen over de
biologische wetten. Integendeel, we willen beklemtonen dat God zelf aanwezig is
in het menselijk vader- en moederschap, op geheel andere wijze dan Hij aanwezig
is bij alle andere voortplanting “op aarde”. God is inderdaad alleen de bron
van dat “beeld en die gelijkenis”die eigen zijn aan het menselijk wezen en die
bij de schepping werden geschonken. Voortplanting is de voortzetting van de
schepping”31.
Dit is wat de Bijbel leert in een
directe en welsprekende taal wanneer hij vertelt van de vreugdevolle uitroep
van de eerste vrouw “de moeder van alle levenden”(Gn 3,20). Zich bewust van
Gods tussenkomst, roept Eva uit: “Ik heb een man gekregen met de hulp van de
Heer”(Gn 4,1). Daarom wordt bij de voortplanting, door de schenking van het
leven van ouders aan kind, Gods eigen beeld en gelijkenis doorgegeven, dankzij
de schepping van de onsterfelijke ziel 32. Het begin van het
“boek van het nakomelingschap van Adam”drukt het als volgt uit: “Toen God de
mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis met God. Man en vrouw schiep Hij
hen, en Hij zegende hen en noemde hen mens op de dag dat zij geschapen waren.
Toen Adam honderddertig jaar was, werd hij de vader van een zoon die op hem
leek en zijn beeld was, en noemde hem Seth”(Gn 5,1-3). Precies in hun rol van
medewerkers met God die zijn beeld doorgeeft aan het nieuwe schepsel zien we de
grootheid van echtparen die bereid zijn “mee te werken met de liefde van de
Schepper en de Verlosser, die door hen zijn eigen familie dag na dag zal
uitbreiden en verrijken”33.
Daarom prees bisschop Amphilochius “het
heilig huwelijk, gekozen en verheven boven alle andere aardse gaven”als “de
verwekker van de mensheid, de schepper van beelden van God”34.
Zo worden man en vrouw, verenigd in het
huwelijk, deelgenoten in een goddelijke onderneming: door de voortplantingsdaad
wordt Gods gave ontvangen en opent zich een nieuw leven naar de toekomst.
Maar aan gene zijde van de specifieke
zending van de ouders betreft de taak van het opnemen en dienen van het leven
iedereen; en deze taak moet bovenal vervuld worden voor het leven wanneer het
op zijn zwakst is. Het is Christus zelf die ons hieraan herinnert wanneer Hij
vraagt om bemind en gediend te worden in zijn lijdende broeders en zusters: de
hongerigen, de dorstigen, de vreemdelingen, de naakten, de zieken, de
gevangenen(...) Wat men ieder van hen doet, doet men aan Christus zelf
(vgl.Mt 25,31-46).
|