|
44.
Het menselijke leven is het meest kwetsbaar wanneer het in de wereld komt en
wanneer het uit de tijd weggaat om zich naar de eeuwigheid te begeven. Het
woord van God herhaalt vaak de oproep om zorg en eerbied te tonen, bovenal
wanneer het leven ondermijnd wordt door ziekte en ouderdom. Er zijn geen
directe en uitdrukkelijke oproepen om het menselijk leven te beschermen vanaf
het eerste begin, speciaal het nog niet geboren leven, en het leven dat ten
einde gaat: maar dit kan men gemakkelijk verklaren uit het feit dat zelfs maar
de mogelijkheid om het leven in deze omstandigheden te kwetsen, aan te vallen
of zelfs te ontkennen volkomen vreemd is aan de godsdienstige en culturele
denkwijze van het Volk van God.
In het Oude Testament wordt onvruchtbaarheid
gevreesd als een vloek, terwijl een talrijk nageslacht beschouwd wordt als een
zegen: “Zonen zijn een gave van de Heer, de vrucht van de schoot een genade”(Ps
127,3;vgl.Ps 128,3-4). Dit geloof stoelt ook op Israëls besef het volk van
het Verbond te zijn, geroepen tot groei overeenkomstig de belofte aan Abraham:
“Kijk naar de hemel, en tel de sterren, als u dat kunt(...)zo zal uw nageslacht
zijn”(Gn 15,5). Maar meer dan iets anders werkt hier de zekerheid dat het
leven dat de ouders doorgeven zijn oorsprong vindt in God. Hiervan getuigen de
vele bijbelse passages die vol respect en liefde spreken over de ontvangenis,
de vorming van het leven in de moederschoot, de geboorte en de intieme band
tussen het beginmoment van het leven en het werk van God de Schepper.
“Vóór Ik je vormde in de
moederschoot kende Ik jou en vóór je geboren werd wijdde Ik je
aan Mij toe”(Jr 1,5): het leven van ieder individu is, vanaf zijn eerste begin,
deel van Gods plan. Job houdt in de diepte van zijn pijn in, om het werk van
God te overdenken die zijn lichaam wonderlijk vormde in de schoot van zijn
moeder. Hier vindt hij reden om vertrouwen te hebben, en hij spreekt zijn
geloof uit dat er een goddelijk plan is voor zijn leven: “U hebt mij gevormd en
gemaakt; zult U zich dan afwenden en mij vernietigen? Bedenk dat U mij gevormd
hebt uit klei; en zult U mij tot stof doen weerkeren? Hebt U mij niet gezeefd
als melk en doen stremmen als kaas? U hebt me bekleed met huid en vlees, mij
met botten en spieren ineengezet. U hebt me het leven gegund, en bestendige
liefde; en uw zorg heeft mijn geest behoed”(Job 10,8-12). Uitdrukking van
ontzag en verbazing over Gods tussenkomst in het leven van een kind in de
moederschoot komen telkens weer voor in de Psalmen 35.
Hoe kan iemand menen dat zelfs maar
één moment in dit wonderlijke proces van de ontplooiing van het
leven gescheiden zou kunnen worden van het wijze en liefdevolle werk van de
Schepper, ten prooi aan menselijke willekeur? De moeder van de zeven broers
dacht zeker niet zo: zij beleed haar geloof in God, bron en garantie van het
leven vanaf de conceptie zelf, en tegelijkertijd de grondslag van de hoop op
nieuw leven na de dood: “Ik weet niet hoe jullie in mijn schoot gevormd zijn;
niet ik heb jullie de levensadem geschonken, niet ik heb de bestanddelen
waaruit ieder van jullie bestaat, tot een harmonisch geheel geordend, maar de
Schepper van de wereld: Hij bewerkt het ontstaan van de mens, zoals Hij van
alles de oorsprong is. Hij zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem
teruggeven, omdat jullie omwille van zijn wet jezelf nu niet spaart”(2Mak
7,22-23).
45. De openbaring
van het Nieuwe Testament bevestigt de onbetwistbare erkenning van de waarde van
het leven vanaf zijn eerste begin. De verheerlijking van de vruchtbaarheid en
de gretige verwachting van het leven klinken door in de woorden waarmee
Elizabeth zich verheugt over haar zwangerschap: “De Heer(...)heeft zich
verwaardigd mijn schande weg te nemen”(Lc 1,25). Meer nog wordt de waarde van
de persoon vanaf het moment van de ontvangenis verheerlijkt in de ontmoeting
tussen de Maagd Maria en Elizabeth, en tussen de twee kinderen die zij dragen
in hun schoot. Juist de kinderen openbaren de komst van het Messiaanse
tijdperk: in hun ontmoeting wordt de verlossende kracht van de aanwezigheid van
de Zoon van God onder de mensen voor het eerst werkzaam. De H. Ambrosius
schrijft: “De zegeningen van de komst van Maria en van de aanwezigheid van de
Heer zijn meteen te merken (...) Elisabeth hoorde als eerste de stem, maar
Johannes ervoer het eerste de genade; zij hoorde volgens de natuurlijke orde,
hij sprong op vanwege het mysterie; zij merkte de komst van Maria, hij die van
de Heer; de vrouw de komst van de vrouw, het kind de komst van het Kind. De
vrouwen spreken over de ontvangen genade; de kinderen verwerkelijken in de
schoot van hun moeder de genade en het mysterie van de barmhartigheid voor hun
moeders zelf: en door een dubbel wonder profeteren zij onder de inspiratie van
hun kinderen. Het kind sprong op van vreugde, de moeder werd vervuld van de
heilige Geest. De moeder was niet vervuld vóór de zoon, maar
nadat de zoon was vervuld met de heilige Geest, vervulde hij zijn moeder ook
met Hem”36.
|