|
46.
Ook t.a.v. de laatste ogenblikken van het leven zou het anachronistisch zijn om
van de bijbelse openbaring een expliciete verwijzing te verwachten naar de
huidige problematiek betreffende het respect voor ouderen en zieken, of een
specifieke veroordeling van pogingen om hun einde met geweld te verhaasten. De
culturele en religieuze context van de Bijbel wordt op geen enkele wijze door
dergelijke bekoringen beroerd: integendeel, in die context worden de wijsheid
en ervaring van de ouderen erkend als een onvervangbare rijkdom voor de familie
en de samenleving.
De ouderdom wordt gekenmerkt door
aanzien en omgeven met ontzag (vgl.2Mak 6,23). De rechtvaardige vraagt niet om
verlossing van de ouderdom en haar last: zijn gebed is integendeel: “U, o Heer,
bent mij hoop, mijn vertrouwen, o Heer, vanaf mijn jeugd (...) en nu, in mijn
ouderdom en grijsheid, God, verlaat mij niet, opdat ik uw macht verkondig, aan
alle komende geslachten uw wonderen”(Ps 71,5.18). Het ideaal van de Messiaanse
tijd wordt voorgesteld als een tijd waarin “niet meer zal zijn (...) een
grijsaard die zijn dagen niet voltooit”(Js 65,20).
Hoe moet men in de ouderdom tegenover
de onvermijdelijke neergang van het leven staan? Hoe moet men handelen in het
zicht van de dood? De gelovige weet dat zijn leven in Gods hand ligt: “Heer, in
uw handen is mijn leven”(vgl.Ps 16,5), en hij aanvaardt van Hem ook het
sterven: “Dit is het bevel van de Heer voor alle vlees; waarom zich keren tegen
de wil van de Allerhoogste?”(Sir 41,3-4). De mens is niet
baas over het leven, evenmin over de dood. In leven en dood moet hij zich
helemaal toevertrouwen aan de “wil van de Allerhoogste”, aan zijn liefdevolle
plan.
Ook in momenten van ziekte wordt de
mens uitgenodigd om hetzelfde vertrouwen in de Heer te hebben en om zijn
fundamentele geloof te hernieuwen in Hem die “alle ziekten geneest”(vgl.Ps
103,3). Wanneer alle hoop op gezondheid voor zijn ogen schijnt te verdwijnen -
zodat hij uitroept: “Mijn dagen zijn als een schaduw in de avond; ik verdor als
het gras (Ps 102,11)- zelfs dan wordt de gelovige bezield door een onwankelbaar
geloof in Gods levenschenkende macht. Ziekte drijft zo”n mens niet tot wanhoop
en doodsverlangen, maar doet hem hoopvol uitroepen: “Ik heb geloofd ook toen ik
zei: “Al te zeer ben ik getroffen”(Ps 116,10); “Ik heb, Heer, mijn God, tot U
in nood geroepen: Gij hebt mij nieuw gemaakt. Jahwe, Gij deed mij verrijzen uit
de doden; of Gij mij hadt herschapen ben ik het graf ontgaan”(Ps 30,3-4).
47. De zending
van Jezus, met de vele genezingen die Hij deed, toont ook Gods grote
bekommernis met het lichamelijk leven van de mens. Jezus werd, als “de dokter
van het lichaam en de geest”37 door de Vader gezonden om het
goede nieuws te brengen aan de armen en om de gebroken harten te helen (vgl.Lc
4,18; Js 61,1). Later, wanneer Hij zijn leerlingen de wereld instuurt, geeft
Hij hun een zending, waarin zieken genezen hand in hand gaat met de verkondiging
van het Evangelie: “En gaat op weg en verkondigt dat het rijk der hemelen nabij
is. Geneest de zieken, wekt de doden op, reinigt de melaatsen en drijft de
duivels uit”(Mt 6,13;16,18).
Zeker is het leven van het lichaam in
zijn aardse staat geen absoluut goed voor de gelovige, vooral waar hem gevraagd
wordt zijn leven op te geven voor een groter goed. Zoals Jezus zegt: “Alwie
zijn leven wil redden zal het verliezen; en alwie zijn leven verliest om
Mijnentwil en omwille van het Evangelie, zal het redden”(Mc 8,35). Het Nieuwe
Testament geeft hiervan verschillende voorbeelden. Jezus aarzelt niet zichzelf
te offeren en Hij maakt van zijn leven vrijelijk een offer aan de Vader
(vgl.Joh 10,17) en aan de zijnen (vgl.Joh 10,15). De dood van Johannes de
Doper, voorloper van de Verlosser, getuigt ook dat het aards bestaan niet een
absoluut goed is; belangrijker is het om trouw te blijven aan het woord van de
Heer zelf met gevaar voor eigen leven (Mc 6,17-29). Stefanus verliest zijn
aardse leven omdat hij trouw getuigt van de verrijzenis van de Heer: hij volgt
in de voetstappen van de Meester en treedt hen die hem stenigen tegemoet met
woorden van vergeving (vgl.Hnd 7,59-60) en wordt zo de eerste van een ontelbare
schare martelaren die de Kerk heeft vereerd vanaf haar eerste begin.
Niemand kan echter naar willekeur
kiezen tussen leven of sterven; de absolute meester van zo”n beslissing is de
Schepper alleen, in wie “wij leven en bewegen en bestaan”(Hnd 17,28).
|