|
48.
Het leven wordt onuitwisbaar getekend door een waarheid van zichzelf. Door Gods
gave aan te nemen is de mens verplicht het leven in deze waarheid te handhaven
die daarvoor wezenlijk is. Zich losmaken van deze waarheid betekent: zichzelf
veroordelen tot zinloosheid en ongeluk, en mogelijk een bedreiging worden voor
het bestaan van anderen, aangezien de dijken die eerbied voor en verdediging
van het leven garanderen, zijn doorgebroken.
De waarheid van het leven wordt
geopenbaard in Gods gebod. Het woord van de Heer toont concreet de koers die
het leven moet volgen wil het zijn eigen waarheid eerbiedigen en zijn eigen
waardigheid bewaren. De bescherming van het leven is niet alleen verzekerd door
het specifieke gebod “Gij zult niet doden (Ex 20,13; Dt 5,17): de hele wet van
de Heer dient de bescherming van het leven, omdat zij die waarheid openbaart
waarin het leven zijn volle betekenis krijgt.
Daarom is het niet verwonderlijk dat
Gods Verbond met zijn volk zo nauw verbonden is met het levensperspectief, ook
in zijn lichamelijke dimensie. In dat Verbond wordt Gods gebod aangeboden als
de levensweg: “Ik houd u vandaag het leven en het geluk voor, maar ook de dood
en het ongeluk. Als u luistert naar de geboden van de Heer, uw God, die ik u
heden geeft, als u de Heer uw God bemint, zijn wegen gaat en zijn geboden,
voorschriften en bepalingen, dan zult u leven en talrijk worden en zal de Heer
uw God u zegenen in het land dat u in bezit gaat nemen”(Dt 30,15-16). Niet
alleen het land Kanaän en het bestaan van het volk staan op het spel, maar
ook de huidige en toekomstige wereld, en het bestaan van de hele mensheid. Want
is het absoluut onmogelijk dat het leven volkomen geloofwaardig blijft als het
zich van het goede verwijdert; en het goede is op zijn beurt wezenlijk
verbonden met de geboden van de Heer, dwz: met de “wet van het leven”(Sir
17,11). Het goede dat gedaan moet worden, komt niet extra bij het leven als een
drukkende last, aangezien het doel van het leven juist dat goede is, en alleen
door het te doen kan het leven opgebouwd worden.
Zo is het dus de wet als geheel die het
menselijk leven volledig beschermt. Dit verklaart waarom het zo moeilijk is om het
gebod “Gij zult niet doden”trouw te blijven wanneer de andere “woorden van
leven”(vgl.Hnd 7,38) waarmee dit gebod verbonden is, niet worden onderhouden.
Losgemaakt uit dit kader is het gebod gedoemd om niet meer te worden dan een
van buiten opgelegde verplichting, en al spoedig beginnen we zijn grenzen te
zoeken en proberen we verzachtende factoren en uitzonderingen te vinden. Alleen
als men openstaat voor de volheid van de waarheid over God, mens en
geschiedenis zullen de woorden “Gij zult niet doden”weer stralen als een goed
voor de mens in al zijn dimensies en betrekkingen. In zulk perspectief kunnen
we de volle waarheid inzien van de passage in het boek Deuteronomium die Jezus
herhaalt in zijn antwoord op de eerste bekoring: “De mens leeft niet van brood
alleen maar (...) van alles dat komt uit de mond van de Heer”(Dt 8,3; vgl.Mt
4,4).
Door te luisteren naar het woord van de
Heer zijn wij in staat waardig en rechtschapen te leven. Door de wet van God te
onderhouden kunnen wij vruchten van leven en geluk voortbrengen: “Alwie zich
aan haar houden zullen leven, en die haar verzaken zullen sterven”(Bar 4,1).
49. De
geschiedenis van Israël laat zien hoe moeilijk het is om trouw te blijven
aan de wet van het leven die God heeft gegrift in het mensenhart en die Hij op
de Sinaï aan het volk van het Verbond gaf. Wanneer de mensen levenswijzen
zoeken die Gods plan negeren dan zijn het vooral de profeten die hen er
krachtig aan herinneren dat alleen de Heer de authentieke levensbron is. Zo
schrijft Jeremia: “Mijn volk heeft dubbel misdreven: ze hebben Mij verzaakt, de
bron van levend water en ze hebben regenbakken gehouwen, vol barsten en die
geen water houden”(2,13). De profeten wijzen met een beschuldigende vinger naar
hen die hen leven minachten en de rechten van de mensen schenden: “Ze trappen
het hoofd van de arme in het stof van de aarde”(Am 2,7); “ze hebben deze plaats
gevuld met het bloed van onschuldigen”(Jr 19,4). Onder hen veroordeelt de
profeet Ezechiël vaker de stad Jeruzalem, waarbij hij het “de bloedige
stad”(22,2; 24,6.9) noemt, de “stad die in haar midden bloed vergiet”(22,3).
Maar terwijl de profeten de vergrijpen
tegen het leven veroordelen, zijn zij er vooral op bedacht om hoop op een nieuw
beginsel van leven te wekken, instaat om een nieuwe relatie met God en met de
broeders te vestigen, en om nieuwe, buitengewone mogelijkheden te openen voor
het begrijpen en uitvoeren van alle eisen die in het Evangelie van het leven
vervat liggen. Dit zal alleen mogelijk zijn dankzij de gave van God die zuivert
en vernieuwt: “Ik zal u met zuiver water besprenkelen en ge zult rein worden;
van al uw ongerechtigheden en van al uw afgoderij zal ik u reinigen. Een nieuw
hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in u uitstorten”(Ez 36,25-26; vgl.Jr 31,34).
Dit “nieuwe hart”zal het mogelijk maken de diepste en echtste betekenis van het
leven te waarderen en te bereiken: namelijk dat het een gave is die helemaal
verwerkelijkt wordt in de zelfgave. Dit is de schitterende boodschap over de
waarde van het leven die tot ons komt door de figuur van de Dienaar van de
Heer: “Wanneer hij zichzelf tot een offer maakt voor de zonde, zal hij
nakomelingen zien en lang leven(...) Na het doorstane lijden zal hij het licht
mogen zien”(Js 53,10.11).
In de komst van Jezus van Nazareth
wordt de wet vervuld en een nieuw hart gegeven door zijn Geest. Jezus negeert
de wet niet, maar brengt haar tot vervulling (vgl.Mt 5,17): de Wet en de
Profeten worden samengevat in de gouden regel van de onderlinge liefde (vgl.Mt
7,12). In Jezus wordt de wet eens en voor altijd het “evangelie”, het goede
nieuws van Gods heerschappij over de wereld, dat het leven terugbrengt naar
zijn wortels en zijn oorspronkelijke bedoeling. Dit is de Nieuwe Wet, “de wet
van de Geest van leven in Christus Jezus”(Rom 8,2), en de fundamentele
uitdrukking ervan, in navolging van de Heer die zijn leven gaf voor zijn
vrienden (vgl.Joh 15,13), is de zelfgave in liefde voor zijn broeders en
zusters: “Wij weten dat we zijn overgegaan van de dood naar het leven, omdat we
onze broeders liefhebben”(1Joh 3,14). Dit is de wet van vrijheid, vreugde en
zaligheid.
|