|
50.
Aan het einde van dit hoofdstuk, waarin we de christelijke boodschap over het
leven hebben overwogen, wil ik graag stilhouden met ieder van u om Hem die
doorstoken is te beschouwen, Hem die alle mensen naar zich toe trekt (vgl.Joh
19,37; 12,32). Kijkend naar “het schouwspel”van het Kruis (vgl.Lc 23,48) zullen
we aan deze glorievolle stam de vervulling en de volledige openbaring van het
hele Evangelie van het leven ontdekken.
In de vroege namiddag van Goede Vrijdag
“viel er duisternis over heel de streek (...) doordat de zon geen licht meer
gaf. Het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor”(Lc 23,44.45). Dit is
het symbool van een grote kosmische verwarring en een geweldige strijd tussen
de krachten van het goede en de krachten van het kwade, tussen leven en dood. Vandaag
de dag bevinden we ons ook middenin een dramatische strijd tussen de “cultuur
van de dood”en de “cultuur van het leven”. Maar de glorie van het Kruis wordt
door deze duisternis niet overwonnen; het licht, integendeel, steeds stralender
en helderder op, en wordt zichtbaar als centrum, betekenis en doel van de hele
geschiedenis en van ieder menselijk leven.
Jezus wordt aan het Kruis genageld en
opgeheven van de aarde. Hij ervaart het ogenblik van zijn grootste
“machteloosheid”, en zijn leven schijnt geheel overgeleverd aan de bespotting
van zijn tegenstanders en aan de handen van zijn moordenaars: hij wordt bespot,
uitgelachen, beledigd (vgl.Mc 15,24-26).
En toch, precies middenin dit alles,
toen hij Hem “op deze wijze zag sterven”, roept de Romeinse honderdman uit:
“Waarlijk, deze man was Zoon van God!”(Mc 15,39). Aldus wordt in het ogenblik
van zijn grootste zwakte, de Zoon van God geopenbaard als wie Hij is: aan het
Kruis wordt zijn heerlijkheid zichtbaar.
Door zijn dood werpt Jezus licht op de
zin van het leven en de dood van ieder menselijk wezen. Voor Hij sterft bidt
Jezus tot de Vader, vraagt vergiffenis voor zijn vervolgers (vgl.Lc 23,34), en
antwoordt de misdadiger die Hem vraagt om hem te gedenken in zijn koninkrijk: “Voorwaar,
Ik zeg u, heden zult ge met Mij zijn in het paradijs”(Lc 23,43). Na zijn dood
“gingen de graven open en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen
waren stonden op”(Mt 27,52). De redding die Jezus heeft bewerkt is de schenking
van het leven en de verrijzenis. Heel zijn aardse leven had Jezus inderdaad
redding gebracht door allen te genezen en goed te doen (vgl.Hnd 10,38). Maar
zijn wonderen, genezingen en zelfs zijn opwekkingen van de doden waren tekenen
van een andere redding, een redding die ligt in de vergeving van de zonden,
dwz: in de bevrijding van de mens uit de diepste ziekte en in zijn opwekking
tot het leven zelf van God.
Aan het Kruis wordt het wonder van de
slang die door Mozes wordt opgeheven in de woestijn (Joh 3,14-15); vgl.Nu
21,8-9) hernieuwd en tot volkomen en definitieve volmaaktheid gebracht. Ook
vandaag ontmoet iedere mens wiens leven bedreigd wordt - door op te zien naar
Hem die doorstoken is - de zekere hoop dat hij bevrijding en verlossing vindt.
51. Maar er is
nog een andere bijzondere gebeurtenis die mij diep ontroert wanneer ik haar
overweeg. “Toen Jezus van de azijn genomen had, zei Hij: “Het is volbracht”.
Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest”(Joh 19,30). Nadien “doorboorde”de
Romeinse soldaat “zijn zijde met een lans, en terstond vloeide er bloed en
water uit”(Joh 19,34).
Alles heeft nu zijn volledige
voltooiing bereikt. Het “geven”van de geest beschrijft Jezus”dood, een dood als
die van iedere andere mens, maar het lijkt een toespeling op de “gave van de
Geest”, waardoor Hij ons van de dood vrijkoopt en opent voor een nieuw leven.
Het is het leven van God zelf dat nu
met de mens gedeeld wordt. Het is het leven dat door de sacramenten van de Kerk
- gesymboliseerd door het bloed en water die uit Christus”zijde vloeien -
voortdurend gegeven wordt aan Gods kinderen en hen tot het volk van het Nieuwe
Verbond maakt. Vanaf het Kruis, de bron van leven, ontstaat en groeit het “volk
van het leven”.
De beschouwing van het Kruis brengt ons
zo tot het hart van alles dat heeft plaatsgevonden. Jezus die bij zijn komst in
de wereld zei: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen”(vgl.Heb 10,9), werd in
alles gehoorzaam aan de Vader en omdat Hij “de zijnen had bemind die in de
wereld waren, beminde Hij hen tot het einde”(Joh 13,1), door zich helemaal voor
hen te geven.
Hij die gekomen was “niet om gediend te
worden maar om te dienen en om zijn leven te geven als losprijs voor velen”(Mc
10,45), bereikt aan het Kruis de hoogste liefde: “Geen mens heeft groter liefde
dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden”(Joh 15,13). En Hij
stierf voor ons terwijl wij nog zondaars waren (vgl.Rom 5,8).
Zo verkondigt Jezus dat het leven zijn
centrum, zijn betekenis en zijn vervulling vindt wanneer het geschonken wordt.
Op dit punt wordt onze overweging tot
lofprijzing en dankzegging, en tegelijkertijd dwingt zij ons om Christus na te
volgen en in zijn voetstappen te gaan (vgl.1Pe 2,21).
Ook wij worden uitgenodigd om ons leven
te geven voor onze broeders en zusters, en zo in de volheid van de waarheid de
betekenis en bestemming van ons bestaan te realiseren.
We zullen hiertoe in staat zijn omdat
U, o Heer, ons het voorbeeld hebt gegeven en ons de kracht van uw Geest hebt
geschonken. We zullen hiertoe in staat zijn als wij iedere dag, met U en als U,
gehoorzaam zijn aan de Vader en zijn wil doen.
Geef daarom, dat wij met open en
edelmoedig hart luisteren naar ieder woord dat komt uit de mond van God. Zo
zullen we leren om niet alleen het gebod te gehoorzamen, om geen mensenleven te
doden, maar ook om het leven te eerbiedigen, te beminnen en te koesteren.
|