|
52.
“En zie, iemand kwam naar Hem toe en zei: “Meester, wat voor goeds moet ik doen
om het eeuwig leven te verwerven?””(Mt 19,6). Jezus antwoordde: “Als je het
leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden”(Mt 19,17). De Meester spreekt
over het eeuwig leven, dwz: een delen in het leven van God zelf. Dit leven
wordt bereikt door Gods geboden te onderhouden, inclusief het gebod: “Gij zult
niet doden”. Dit is het eerste voorschrift van de Decaloog dat Jezus aanhaalt
voor de jongeman die Hem vraagt welke geboden hij moet onderhouden: “Jezus zei:
“Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet
stelen(...)””(Mt 19,18).
Gods gebod wordt nooit gescheiden van
zijn liefde: het is altijd een gave tot vreugde en groei van de mens. Als
zodanig vertegenwoordigt het een wezenlijk en onontbeerlijk aspect van het
evangelie, ja het wordt zelf “evangelie”, dwz: Blijde Boodschap. Het Evangelie
van het leven is zowel een grote gave van God als een verplichtende taak voor
de mens. Het wekt verbazing en dankbaarheid in de vrije persoon en vraagt erom
aanvaard, bewaard en gewaardeerd te worden, met een diep
verantwoordelijkheidsgevoel. God eist van de mens, aan wie Hij het leven geeft
dat hij dat bemint, eerbiedigt en koestert. Zo wordt de gave een gebod en het
gebod is zelf een gave.
De Schepper wil dat de mens, als Gods
levende beeld, heer en koning is. De H. Gregorius van Nyssa schrijft dat “God
de mens in staat stelde om zijn rol als koning van de aarde uit te voeren(...)
De mens werd geschapen naar het beeld van Hem die het heelal bestuurt. Alles
laat zien dat de menselijke natuur vanaf het begin door koningschap getekend is
(...) De mens is een koning. Geschapen om de heerschappij over de wereld uit te
oefenen, ontving hij een gelijkenis met de Koning van het heelal; hij is het
levende beeld dat door zijn waardigheid deelt in de volmaaktheid van het
goddelijk model”38. Geroepen om vruchtbaar te zijn en zich
te vermenigvuldigen, om de aarde te onderwerpen en te heersen over lagere
schepselen (vgl.Gn 1,28), is de mens heer en meester niet alleen over de dingen
maar vooral over zichzelf 39, en in zekere zin over het
leven dat hij heeft ontvangen en dat hij kan doorgeven door voortplanting,
uitgevoerd met liefde en eerbied voor Gods plan. Bij zijn heerschappij gaat het
echter niet om een absolute, maar om een dienende: het is een werkelijke
afspiegeling van de unieke en oneindige heerschappij van God. Daarom moet de
mens haar uitoefenen met wijsheid en liefde, delend in de onmetelijke wijsheid
en liefde van God. En dat gebeurt door gehoorzaamheid aan Gods heilige wet: een
vrije en blijde gehoorzaamheid (vgl.Ps 119), geboren uit en gekoesterd door het
besef dat de voorschriften van de Heer een genadegave zijn, die aan de mens
altijd en alleen voor zijn welzijn is toevertrouwd, om zijn persoonlijke
waardigheid te bewaren en zijn geluk te bereiken.
De mens is, m.b.t. de dingen, maar meer
nog m.b.t. het leven, niet de absolute meester en uiteindelijke rechter, maar
eerder - en daar ligt zijn onvergelijkelijke grootheid - hij is de “uitvoerder
van Gods plan”40.
Het leven wordt aan de mens
toevertrouwd als een schat die hij niet mag vergooien, als een talent dat goed
gebruikt moet worden. De mens moet er rekenschap van afleggen voor zijn Meester
(vgl.Mt 25,14-30; Lc 19,12-27).
|