|
53.
“Het menselijk leven is heilig omdat het vanaf zijn ontstaan “het handelen van
de Schepper vereist”, en het blijft altijd in een bijzondere relatie met zijn
Schepper, zijn enige doel. God alleen is Heer van het leven van het begin tot het
einde: niemand kan onder welke omstandigheid ook, voor zich het recht opeisen
om rechtstreeks een onschuldig menselijk wezen te doden” 41.
Met deze woorden zet de Instructie Donum Vitae de centrale inhoud uiteen van
Gods openbaring over de heiligheid en de onaantastbaarheid van het menselijk
leven.
De Heilige Schrift brengt het
voorschrift “Gij zult niet doden”in feite als een goddelijk gebod (Ex 20,13; Dt
5,17). Zoals ik al heb onderstreept bevindt dit gebod zich in de Decaloog, in
het hart van het Verbond dat de Heer sluit met zijn uitverkoren volk; maar het
was al vervat in het oorspronkelijk verbond tussen God en de mensheid na de
reinigende straf van de zondvloed, die werd veroorzaakt door de verspreiding
van zonde en geweld (vgl.Gn 9,5-6).
God verkondigt dat Hij de absolute Heer
is van het leven van de mens, die gevormd is naar zijn beeld en gelijkenis
(vgl.Gn 1, 26-28). Het menselijk leven krijgt zo een heilig en onaantastbaar
karakter, dat de onaantastbaarheid van de Schepper zelf weerspiegelt. Juist
daarom wordt God een strenge rechter van iedere schending van het gebod “Gij
zult niet doden”, het gebod dat de grondslag vormt van het gehele menselijke
samenleven. Hij is de “goel”, de verdediger van de onschuldigen (vgl.Gn 4,9-15;
Js 41,14; Jr 50,34; Ps 19,14). God laat zo zien dat Hij geen vreugde schept in
de dood van de levenden (vgl.W 1,13). Alleen Satan heeft daarin plezier: want
door zijn afgunst kwam de dood in de wereld (vgl.W 2,24). Hij die “een
moordenaar van den beginne”is, is ook “een leugenaar en vader van de
leugen”(Joh 8,44). Door de mens te misleiden voert hij hem naar zijn doelen van
zonde en dood, gepresenteerd als levensdoelen en successen.
54. Het gebod
“Gij zult niet doden”bezit een uitgesproken, sterk negatieve inhoud: het wijst
op de uiterste grens die nooit overschreden mag worden. Maar impliciet moedigt
het een positieve houding aan van eerbied voor het leven; het leidt tot de
bevordering van het leven en tot voortgang langs de weg van een liefde die geeft,
ontvangt en dient. Het volk van het Verbond heeft, ofschoon langzaam en met
enige tegenspraak, een toenemende rijpheid gekend in deze denkwijze en zich zo
voorbereid op de grote verkondiging van Jezus dat het gebod van de
naastenliefde lijkt op het gebod van de liefde tot God; “op deze twee geboden
rust heel de wet en de profeten”(vgl.Mt 22,36-40). Sint Paulus benadrukt dat
“het gebod (...) gij zult niet doden (...) en ieder ander gebod in deze zin
worden samengevat: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf””(Rom 13,9; vgl.Gal
5,14). Overgenomen en tot vervulling gebracht in de Nieuwe Wet, staat het gebod
“Gij zult niet doden”als een onmisbare voorwaarde om te kunnen “binnengaan in
het leven”(vgl.Mt 19,16-19). In ditzelfde perspectief hebben de woorden van de
apostel Johannes een categorische klank: “Wie zijn broeder haat is een
moordenaar, en u weet dat geen moordenaar het eeuwige leven in zich heeft”(1Joh
3,15).
Vanaf het begin heeft de levende
Traditie van de Kerk - zoals de Didachè laat zien, het oudste
niet-bijbelse christelijke geschrift - het gebod “Gij zult niet
doden”categorisch herhaald: “Er zijn twee wegen, een weg van het leven en een
weg van de dood; er is een groot verschil tussen hen (...) Naar het voorschrift
van de leer: Gij zult niet doden (...), gij zult een kind niet afdrijven noch
na de geboorte doden (...) De weg van de dood is deze: (...) ze hebben geen
medelijden met de armen, ze lijden niet met de lijdenden, zij erkennen hun
Schepper niet, zij doden hun kinderen en doen door abortus Gods schepselen
omkomen; ze sturen de behoeftigen weg, onderdrukken de gekwelden, zij pleiten
voor de rijken en vonnissen de armen onrechtvaardig; zij zijn vol zonden. Mogen
jullie, kinderen, altijd ver blijven van al deze zonden!”42.
In de loop der tijd heeft de Traditie
van de Kerk altijd eenstemmig de absolute en onveranderlijke waarde geleerd van
het gebod “Gij zult niet doden”. Het is bekend dat in de eerste eeuwen moord
werd geplaatst bij de drie zwaarste zonden - samen met afvalligheid en echtbreuk
- en een bijzonder zware en lange openbare straf vereiste, voordat de
berouwvolle moordenaar vergiffenis kon krijgen en wederopneming in de
kerkelijke gemeenschap.
Dit hoeft niet te verbazen: het doden
van een mens, in wie Gods beeld aanwezig is, is een bijzonder ernstige zonde. Alleen
God is de Heer van het leven! Maar in het licht van de vele, vaak tragische
gebeurtenissen die in het individuele en sociale leven plaatsvinden, heeft het
christelijk denken gezocht naar een vollediger en dieper begrip van wat Gods
gebod verbiedt en voorschrijft 43. Er zijn namelijk
situaties waarin de waarden die door Gods wet worden voorgesteld, in de vorm
van een echte tegenspraak verschijnen. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het geval
van wettige zelfverdediging, waarin het recht om het eigen leven te verdedigen
en de plicht om andermans leven niet te kwetsen in de praktijk moeilijk te
verzoenen zijn. Ongetwijfeld vormen de innerlijke waarde van het leven en de
plicht om zichzelf niet minder dan anderen lief te hebben, de basis van een
werkelijk recht op zelfverdediging. Zelfs het veeleisende gebod van de
naastenliefde, in het Oude Testament verkondigd en door Jezus bevestigd,
vooronderstelt liefde voor zichzelf als de basis van vergelijking: “Gij zult uw
naaste liefhebben als uzelf”(Mc 12,31). Niemand kan dan ook het recht op
zelfverdediging afwijzen uit gebrek aan liefde voor het leven of voor zichzelf,
alleen uit kracht van een heldhaftige liefde die de liefde voor zichzelf
verdiept en omvormt tot een radicale zelfopoffering, overeenkomstig de geest
van de Zaligsprekingen in het evangelie (vgl.Mt 5,38-40). Het sublieme
voorbeeld van deze zelfopoffering is de Heer Jezus zelf.
Bovendien “[kan] de gewettigde
zelfverdediging (...) niet alleen een recht zijn, maar [ze] wordt zelfs een
ernstige plicht voor degene die verantwoordelijk is voor andermans leven, voor
het algemeen welzijn van het gezin of van de gemeenschap”44.
Helaas gebeurt het dat de noodzaak om de aanvaller onschadelijk te maken soms vereist
dat men hem doodt. In dit geval wordt de fatale afloop de aanvaller ten laste
gelegd die zich door zijn daad daaraan blootstelde, zelfs al is hij misschien
niet moreel verantwoordelijk omdat hij niet “bij zijn verstand”was45.
56. In deze
context moet het probleem van de doodstraf geplaatst worden, waarbij in de Kerk
en in de maatschappij toenemend een tendens waarneembaar is, die een zeer
beperkte toepassing of zelfs een volledige afschaffing ervan bepleit. Het
probleem moet men zien in het geheel van een strafrecht dat steeds meer strookt
met de menselijke waardigheid en aldus tenslotte met Gods plan voor mens en
maatschappij. Het eerste doel van de straf die een samenleving oplegt is “de
verstoring van de orde ongedaan [te] maken, die door de overtreding ontstaan
is”46. Het openbaar gezag moet de aantasting van
persoonlijke en sociale rechten verhelpen door de schuldige een gepaste straf
op te leggen voor zijn misdrijf, als voorwaarde om de uitoefening van zijn
vrijheid te herkrijgen. Op deze wijze bereikt het gezag ook het doel om de
openbare orde te verdedigen en de veiligheid van de mensen te verzekeren,
terwijl het tevens de schuldige ertoe aanzet en helpt om zich te verbeteren en
te herstellen 47.
Het is duidelijk dat, wil men deze
doelen bereiken, de aard en de omvang van de straf zorgvuldig afgewogen en
vastgesteld moeten worden en niet - behalve in gevallen van absolute noodzaak,
dwz als anders de verdediging van de maatschappij niet mogelijk zou zijn - tot
het uiterste gaan, nl, de terechtstelling van de schuldige. Maar tegenwoordig
zijn zulke gevallen, als gevolg van de gestage verbeteringen in de organisatie
van het strafwezen, uiterst zeldzaam of bestaan praktisch niet meer.
In elk geval blijft het door de nieuwe
Katechismus van de Katholieke Kerk aangevoerde beginsel van kracht: “Indien
onbloedige middelen volstaan om mensenlevens te verdedigen tegen de aanvaller
en om de openbare orde en de veiligheid van de personen te beschermen, moet de
overheid zich beperken tot die middelen; deze zijn immers beter aangepast aan
de concrete voorwaarden van het algemeen welzijn en ook meer in overeenstemming
met de waardigheid van de menselijke persoon”48.
57. Als aan het
eerbiedigen van ieder leven, zelfs dat van misdadigers en onrechtvaardige
aanvallers, zoveel aandacht moet worden geschonken, dan heeft het gebod “Gij
zult niet doden”absolute waarde wanneer het verwijst naar de onschuldige mens. En
dit te meer in het geval van zwakke en weerloze menselijke wezens, die alleen
in de absolute verplichting van Gods gebod verdediging vinden tegen de
willekeur en gewelddadigheid van anderen.
De absolute onaantastbaarheid van het
onschuldige mensenleven is inderdaad een in de Heilige Schrift uitdrukkelijk
geleerde, in de Traditie van de Kerk voortdurend hooggehouden en steeds door
haar Leergezag voorgehouden zedelijke waarheid. Deze eenstemmigheid is de
zichtbare vrucht van die “bovennatuurlijke geloofszin”die, geïnspireerd
door de heilige Geest, het Volk van God vrijwaart van dwaling wanneer “het
algemene overeenstemming toont in zaken van geloof en zeden”49.
Omdat in het bewustzijn van de mensen
en in de samenleving het besef van de absolute en ernstige zedelijke
ongeoorloofdheid van het rechtstreekse doden van ieder onschuldig menselijk
leven, speciaal aan zijn begin en aan zijn einde, steeds verder verzwakt, heeft
het kerkelijk Leergezag zijn oproepen om de heiligheid en onaantastbaarheid van
het menselijk leven te verdedigen, versterkt. Bij het pauselijk Leergezag, dat
bijzonder consequent stelling neemt, heeft zich altijd dat van de bisschoppen
aangesloten met talrijke uitgebreide leerstellige en pastorale documenten,
ofwel door bisschoppenconferenties ofwel door individuele bisschoppen
uitgegeven. Het Tweede Vaticaans Concilie behandelde de materie krachtig in een
korte, maar markante passage 50.
Met de autoriteit die Christus aan
Petrus en zijn opvolgers heeft gegeven, en in gemeenschap met de bisschoppen
van de katholieke Kerk, verklaar ik daarom dat het directe en vrijwillige doden
van een onschuldig menselijk wezen altijd een ernstig zedelijk vergrijp is.
Deze leer, gegrondvest op die ongeschreven wet die de mens, in het licht van
het verstand, vindt in zijn eigen hart (vgl.Rom 2,14-15), is opnieuw bevestigd
door de Heilige Schrift, doorgegeven door de Traditie van de Kerk en onderwezen
door het gewone en algemene Leergezag 51.
De bewuste beslissing om een
onschuldige mens van het leven te beroven is altijd zedelijk kwaad en kan nooit
geoorloofd zijn, noch als doel in zichzelf noch als middel tot een goed doel.
Het is inderdaad een ernstige daad van ongehoorzaamheid jegens de zedelijke
wet, ja jegens God zelf, haar oorzaak en borg; ze weerspreekt de fundamentele deugden
van rechtvaardigheid en liefde. “Niets en niemand kan op enigerlei wijze
toestaan dat een onschuldig menselijk wezen wordt gedood, of het nu een foetus
is of een embryo, een kind of een volwassene, een bejaarde, ongeneeslijk zieke
of iemand die in doodstrijd verkeert. Bovendien is het niemand geoorloofd deze
dodelijke handeling voor zichzelf of voor een ander, die aan zijn
verantwoordelijkheid is toevertrouwd, te zoeken, ja mag er zelfs noch expliciet
noch impliciet mee instemmen. Evenmin kan enige autoriteit zulke actie
rechtmatig opleggen of toestaan”52.
Wat het recht op leven betreft is ieder
onschuldig menselijk wezen absoluut gelijk aan alle andere. Deze gelijkheid
vormt de grondslag van alle authentieke sociale relaties, die, om dat echt te
zijn, alleen gebaseerd kunnen zijn op waarheid en recht, waarbij ze iedere man
en vrouw erkennen en eerbiedigen als een persoon en niet als een
gebruiksvoorwerp. Voor de morele norm die het directe doden van het leven van
een onschuldig menselijk wezen verbiedt, “zijn er voor niemand privileges of
uitzonderingen. Of iemand heer van de wereld is of de “allerongelukkigste”is op
aarde, dat maakt geen verschil. Voor de zedelijke eisen zijn we allen volkomen
gelijk”53.
|