|
58.
Onder alle misdaden die tegen het leven kunnen worden begaan heeft een abortus
provocatus kenmerken die hem bijzonder ernstig en verwerpelijk maken. Vaticanum
II omschrijft abortus omschrijft hem, samen met kinderdoding, als een
“afschuwelijke misdaad” 54.
Maar tegenwoordig is in het geweten van
velen het besef van de zwaarte ervan steeds meer verduisterd. De aanvaarding van
abortus in de mentaliteit, in het gedrag en zelfs in de wet zelf is een
sprekend teken van een uiterst gevaarlijke crisis van het morele bewustzijn dat
steeds minder in staat is om te onderscheiden tussen goed en kwaad, zelfs
wanneer het fundamentele recht op leven op het spel staat. Gegeven zo”n
ernstige situatie, moet we nu meer dan ooit de moed hebben om de waarheid onder
ogen te zien en de dingen bij hun naam te noemen zonder uit te wijken naar
gemakkelijke compromissen of naar de bekoring van zelfbedrog. In deze samenhang
klinkt het verwijt van de Profeet categorisch: “Wee hen die het kwade goed
noemen en het goede kwaad, die duisternis tot licht en het licht tot duisternis
maken”(Js 5,20). Vooral in het geval van abortus is er een wijdverbreid gebruik
van dubbelzinnige taal, zoals “zwangerschapsonderbreking”, die ertoe neigt de
ware aard van abortus te verbergen en zijn zwaarte af te zwakken in de publieke
opinie. Misschien is dit taalkundig verschijnsel zelf een symptoom van een
ongemakkelijk geweten. Maar geen woord heeft de kracht om de werkelijkheid van
de dingen te veranderen: abortus provocatus is het opzettelijk doden, hoe hij
ook wordt uitgevoerd, van een menselijk wezen in de beginfase van zijn of haar
bestaan tussen conceptie en geboorte.
De morele zwaarte van abortus
provocatus blijkt in al haar waarheid wanneer men erkent dat men het over moord
heeft en in het bijzonder wanneer men de specifieke elementen beschouwt die hem
kenmerken. Hier wordt een menselijk wezen gedood, dat net pas het leven
binnengaat, dwz het absoluut onschuldigste wezen dat men zich kan voorstellen.
Op geen enkele wijze zou men dit menselijk wezen ooit kunnen beschouwen als een
agressor, veel minder nog als een onrechtvaardige agressor! Het is zwak,
weerloos, zozeer dat het zelfs dat minimum aan verdediging niet heeft dat de
smekende kracht van het schreien en van de tranen van een pasgeboren baby
vormt. Het ongeboren kind is helemaal toevertrouwd aan de beschermende zorg van
de vrouw die het in haar schoot draagt. En toch is het soms juist de moeder
zelf die de beslissing neemt en erom vraagt dat haar kind gedood wordt en dat
zelfs uitvoert.
Zeker, de beslissing om een abortus te
ondergaan is vaak tragisch en pijnlijk voor de moeder, wanneer de beslissing om
zich te ontdoen van de vrucht van de conceptie niet gemaakt wordt om puur
egoïstische redenen of uit gemakzucht, maar vanuit de wens om bepaalde
belangrijke waarden te beschermen zoals haar eigen gezondheid of een
fatsoenlijke levensstandaard voor de andere gezinsleden. Soms vreest men dat
het ongeboren kind zodanige levensomstandigheden te wachten staan dat het beter
zou zijn als de geboorte niet plaatsvond. Niettemin kunnen deze en soortgelijke
redenen, hoe ernstig en tragisch ook, het opzettelijk doden van een onschuldig
menselijk wezen nooit rechtvaardigen.
59. Naast de
moeder zijn er vaak andere mensen die besluiten tot het doden van het kind in
de moederschoot. Schuldig kan vooral de vader van het kind zijn, niet alleen
wanneer hij de moeder rechtstreeks tot abortus drijft, maar ook wanneer hij
haar indirect aanmoedigt tot zo”n beslissing door haar alleen te laten met de
problemen van de zwangerschap 55: zo wordt het gezin
dodelijk gewond en onteerd in haar wezen als liefdesgemeenschap en in haar
roeping om het “heiligdom van het leven”te zijn. Ook mag men de druk niet over
het hoofd zien die soms uit verdere familiekringen komt en van vrienden. Soms
wordt de vrouw onder zulke zware druk gezet dat ze zich psychologisch gedwongen
voelt om een abortus te ondergaan: zeker in dit geval ligt de morele
verantwoordelijkheid speciaal bij hen die haar rechtstreeks of indirect
verplicht hebben om een abortus te ondergaan. Artsen en verpleegkundigen zijn
ook verantwoordelijk, wanneer zij hun bekwaamheid, die zij hebben aangeleerd om
het leven te bevorderen, in dienst stellen van de dood.
Maar medeverantwoordelijk zijn ook de
wetgevers die abortuswetten hebben bevorderd en goedgekeurd, en, naar de mate
waarin zij terzake zeggenschap hebben, de directie van gezondheidscentra waar
abortussen worden uitgevoerd. Een algemene en niet minder ernstige
verantwoordelijkheid ligt bij hen die de verbreiding van een houding van
seksuele permissiviteit hebben aangemoedigd en een gebrek aan waardering voor
het moederschap en bij hen die een effectieve gezins- en sociale politiek
hadden moeten verzekeren - maar dat niet gedaan hebben - ter ondersteuning van
gezinnen, vooral grotere gezinnen en gezinnen met extra financiële en
opvoedingszorgen. Tenslotte mag men niet voorbijzien aan het netwerk van
medeschuldigheid dat ook internationale instellingen omvat, stichtingen en
verenigingen die systematisch campagne voeren voor de legalisering en
verspreiding van abortus over de hele wereld. In deze zin overstijgt abortus de
verantwoordelijkheid van enkelingen en de schade die hij hen toebrengt, en
krijgt hij een sterk sociale dimensie. Het is een zeer ernstige verwonding die
aan de samenleving en haar cultuur wordt toegebracht, juist door de mensen die
de samenleving zouden moeten opbouwen en verdedigen. Zoals ik schreef in mijn
Brief aan de Gezinnen: “We staan voor een reusachtige bedreiging van het leven:
niet alleen het leven van enkelingen, maar ook dat van de beschaving
zelf”56. We staan voor wat mag heten een “structuur van de
zonde”gericht tegen het nog niet geboren leven. 60. Sommige mensen proberen
abortus te rechtvaardigen door te beweren dat het resultaat van de conceptie,
ten minste tot een bepaald aantal dagen, nog niet beschouwd kan worden als een
persoonlijk menselijk leven. Maar “vanaf het moment dat de eicel bevrucht
wordt, bevindt zich een leven in staat van begin, een leven dat niet van de
vader is, noch van de moeder, maar van een nieuw menselijk wezen, dat zich
ontwikkelt op en voor zichzelf. Dit zal nooit menselijk worden, als het dat
niet is vanaf dat moment. Voor deze van alle tijden geldende evidentie (...)
voert de moderne genetisch wetenschap kostbare bevestigingen aan. Zij heeft
aangetoond dat vanaf het eerste ogenblik de programmering vaststaat van datgene
wat dit levend wezen zal zijn: een mens, deze individuele mens met zijn reeds
wel-omlijnde, vaststaande karaktertrekken. Vanaf de bevruchting is het avontuur
van een menselijk leven begonnen, waarvan elk der grote capaciteiten tijd
vraagt om zich te rangschikken en tot handelingsbekwaamheid te komen”57.
Ook als de aanwezigheid van een geestelijke ziel niet bewezen kan worden met
ervaringsgegevens, dan nog leveren de resultaten zelf van wetenschappelijk
onderzoek naar het menselijk embryo “een kostbare aanwijzing om met het
verstand een persoonlijke aanwezigheid te onderscheiden op het moment van het
eerste verschijnen van het menselijk leven: hoe zou een menselijk individu niet
een menselijke persoon kunnen zijn?”58.
Bovendien is wat op het spel staat zo
belangrijk dat uit een oogpunt van morele plicht alleen de waarschijnlijkheid
dat het om een menselijk wezen gaat voldoende moet zijn om het striktste verbod
op iedere ingreep te rechtvaardigen die gericht is op het doden van een
menselijk embryo. Juist daarom heeft de Kerk buiten de wetenschappelijke
discussies en zelfs de filosofische uitspraken waarop het Leergezag zich nooit
expliciet heeft gebaseerd, steeds geleerd en leert het nog steeds dat aan de
vrucht van de menselijke voortplanting, vanaf het eerste moment van zijn
ontstaan, dat onvoorwaardelijk respect moet worden gegarandeerd dat de mens
moreel toekomt in zijn geestelijke en lichamelijke totaliteit en eenheid: “Het
menselijk wezen moet geëerbiedigd worden en behandeld als een persoon
vanaf het ogenblik van de conceptie; en daarom moeten vanaf datzelfde moment
zijn rechten als persoon worden erkend, waaronder in de eerste plaats het
onaantastbare recht op leven is van ieder onschuldig menselijk wezen”59.
61. De teksten
van de Heilige Schrift die nooit spreken over vrijwillige abortus en hem dus
niet direct en specifiek veroordelen, tonen zulk groot respect voor het
menselijk wezen in de moederschoot dat zij als logisch gevolg vereisen dat Gods
gebod: “Gij zult niet doden”ook wordt uitgebreid tot het ongeboren kind.
Het menselijk leven is heilig en
onaantastbaar op ieder moment van zijn bestaan, inclusief de beginfase die aan
de geboorte vooraf gaat. De mens behoort vanaf de moederschoot aan God toe die
hem zoekt en kent, die hem met zijn eigen handen modelleert en vormt, die naar
hem kijkt wanneer hij een nietig vormloos embryo is en die in hem reeds de
volwassene van morgen ziet wiens dagen geteld zijn en wiens roeping reeds in
het “Boek des Levens”staat opgetekend (vgl.Ps 139,1; 1,13-16). Reeds daar, nog
in de moederschoot zijn zij het persoonlijke voorwerp van Gods liefdevolle en
vaderlijke voorzienigheid - zoals veel passages in de Bijbel betuigen 60.
De christelijke Traditie stemt -
zoals duidelijk blijkt uit de Verklaring die de Congregatie voor de Geloofsleer
heeft uitgegeven 61 - vanaf het begin tot in onze dagen
duidelijk overeen in de beschrijving van abortus als een bijzonder ernstige
zedelijke verwildering. Vanaf haar eerste contacten met de Grieks-Romeinse
wereld, waar abortus en kinderdoding overal gepraktiseerd werden, heeft de
eerste christelijke gemeenschap in leer en leven zich radicaal gekeerd tegen de
in die maatschappij heersende gewoonten, zoals duidelijk blijkt uit de
eerdergenoemde Didachè 62. Onder de Griekse
schrijvers vermeldt Athenagoras dat de christenen vrouwen die hun toevlucht
nemen tot vruchtafdrijvende medicijnen als moordenaressen beschouwen, omdat
kinderen, zelfs als zij nog in de moederschoot zijn, “reeds onder de
bescherming van de Goddelijke Voorzienigheid staan”63. Onder
de Latijnse schrijvers stelt Tertullianus: “De verhindering van de geboorte is
vroegtijdige moord; het doet er niet toe of men een ziel doodt die reeds geboren
is of haar ter dood brengt bij de geboorte. Hij is reeds de mens die hij later
zal zijn”64.
Door heel de christelijke
geschiedenis van tweeduizend jaar heen is deze zelfde leer constant onderwezen
door de Vaders van de Kerk en door haar Herders en Leraren. Zelfs
wetenschappelijke en filosofische discussies over het specifieke moment van de
instorting van de geestelijke ziel hebben nooit aarzeling gewekt over de morele
veroordeling van abortus.
62. Het
pauselijk Leergezag van de jongste tijd heeft deze algemene leer nadrukkelijk
bekrachtigd. Pius XI heeft in zijn encycliek Casti Connubii vooral de als
voorwendsel dienende argumenten voor abortus afgewezen 65.
Pius XII sloot iedere rechtstreekse abortus uit, dwz iedere handeling die het
menselijk leven in de moederschoot rechtstreeks tracht te vernietigen “of zulke
vernietiging nu als doel of alleen als middel tot een doel bedoeld is”66.
Johannes XXIII bevestigde opnieuw dat het menselijk leven heilig is, “omdat het
vanaf het eerste begin direct Gods scheppende werking behoeft”67.
Vaticanum II veroordeelde, zoals eerder vermeld, abortus zeer streng: “Vanaf de
ontvangenis moet het leven met uiterste zorg worden beschermd; vruchtafdrijving
en kinderdoding zijn afschuwwekkende misdaden”68.
De rechtsorde van de Kerk heeft
vanaf de eerste eeuwen strafsancties uitgevaardigd tegen wie schuldig zijn aan
abortus. Deze praktijk, met meer of minder strenge straffen, werd in verschillende
perioden der geschiedenis bevestigd. De Codex van de Canonieke Recht uit
1917 strafte abortus met excommunicaties 69. De herziene
canonieke wetgeving zet deze traditie voort waar zij bepaalt dat “wie een
abortus verricht, bij het beoogde gevolg automatische (latae sententiae)
excommunicatie oploopt”70. De excommunicatie treft allen die
deze misdaad bedrijven met kennis van de straf, alsook de medeplichtigen zonder
wier hulp de misdaad niet zou zijn begaan 71. Met deze
opnieuw bevestigde sanctie maakt de Kerk duidelijk dat abortus een zeer
ernstige en gevaarlijke misdaad is, en moedigt zij hem die hem begaat aan om
onverwijld de weg van de bekering te zoeken. In de Kerk is het
doel van excommunicatie: een individu te doordringen van de zwaarte van een
bepaalde zonde en om dan echte bekering en berouw te bewerken.
Gegeven deze eenstemmigheid in de
traditie van de leer en het recht van de Kerk, was Paulus VI in staat om te
verklaren dat deze traditie onveranderd is en onveranderlijk 72.
Met de autoriteit die Christus heeft overgedragen aan Petrus en zijn Opvolgers,
in gemeenschap met de bisschoppen - die bij verschillende gelegenheden abortus
hebben veroordeeld en die in voornoemde consultatie, verspreid over de wereld
als zij waren, unanieme overeenstemming met deze leer hebben betoond - verklaar
ik daarom dat rechtstreekse abortus, dat wil zeggen gewild als doel of als
middel, altijd een zwaar zedelijk misdrijf vormt, aangezien het opzettelijk
doden van een onschuldig menselijk wezen betekent. Deze leer stoelt op de
natuurwet en op het geschreven Woord van God, wordt doorgegeven door de
Overlevering van de Kerk en geleerd door het gewone en algemene Leergezag
73.
Geen enkele omstandigheid, doel, of wet
kan een handeling geoorloofd maken die in zichzelf ongeoorloofd is, aangezien
zij tegen de wet van God ingaat die geschreven staat in ieder mensenhart,
kenbaar is door het verstand zelf en verkondigd wordt door de Kerk.
63. De zedelijke
beoordeling van abortus moet ook worden toegepast op de recente vormen van
ingrepen op menselijke embryo”s die, ofschoon uitgevoerd voor doelen die in
zichzelf gewettigd zijn, onvermijdelijk het doden van die embryo”s met zich
brengen. Dit is het geval bij proeven op embryo”s, die steeds meer voorkomen op
het gebied van het biomedisch onderzoek en die wettelijk zijn toegestaan in
sommige landen. Ofschoon “de ingrepen bij het menselijk embryo als geoorloofd
moeten worden beschouwd op voorwaarde dat ze het leven en de ongeschondenheid
van het embryo eerbiedigen en dat zij geen onevenredige risico”s in zich
dragen, maar dat zij gericht zijn op de genezing van de ziekte, de verbetering
van de gezondheidstoestand of het overleven van de individuele foetus”74
moet niettemin aangetekend worden dat het gebruik van menselijke embryo”s of
foetussen als proefobject een misdaad vormt tegen hun waardigheid als
menselijke wezens die recht hebben op hetzelfde respect als wat het eenmaal
geboren kind toekomt, en iedere persoon 75.
Deze zedelijke veroordeling betreft ook
de procedure die levende menselijke embryo”s en foetussen misbruikt - die soms
speciaal voor dit doel “gekweekt”zijn door in-vitro-bevruchting - ofwel als
“biologisch materiaal”ofwel als leveranciers van organen of weefsel voor
transplantaties bij de behandeling van bepaalde ziekten. Het doden van
onschuldige menselijke schepsels, zelfs wanneer het wordt gedaan om anderen te
helpen, vormt een absoluut onaanvaardbare handeling.
Bijzondere aandacht moet men schenken
aan de zedelijke beoordeling van technieken van prenatale diagnostiek die de
vroege vaststelling van eventuele misvormingen of ziekten mogelijk maken.
Vanwege de ingewikkeldheid van deze technieken is een zorgvuldig en
systematisch zedelijk oordeel nodig. Wanneer zij geen onevenredig grote
risico”s inhouden voor het kind en de moeder, en bedoeld zijn om een vroege
behandeling mogelijk te maken of zelfs om een rustige en bewuste aanvaarding
van het nog niet geboren kind bevorderen, dan zijn deze technieken moreel
geoorloofd. Maar aangezien de mogelijkheden van prenatale behandeling vandaag
nog beperkt zijn, gebeurt het nogal eens dat deze technieken gebruikt worden
met eugenetische bedoeling die selectieve abortus aanvaardt om de geboorte te
van kinderen met allerlei soorten afwijkingen te voorkomen. Zo”n houding is
schandelijk en hoogst verwerpelijk, daar zij zich aanmatigt om de waarde van
een mensenleven enkel te meten naar maatstaven als “normaliteit”en lichamelijk
welbevinden, en zo ook de weg baant voor de legitimering van kinderdoding en
euthanasie.
Maar toch leggen de moed en de
innerlijke kalmte waarmee zovelen van onze broeders en zusters die te lijden
hebben van ernstige handicaps hun leven leiden wanneer zij door ons opgenomen
en bemind worden, een bijzonder welsprekend getuigenis af van wat echte waarde
aan het leven geeft en wat het, zelfs in moeilijke omstandigheden, tot iets
kostbaars maakt voor henzelf en voor anderen. De Kerk is die echtparen nabij
die, met grote angst en verdriet, bereidwillig ernstig gehandicapte kinderen
aanvaarden. Ze is ook dankbaar jegens al die gezinnen die door adoptie kinderen
opnemen die door hun ouders in de steek gelaten zijn vanwege handicaps of
ziekten.
|