|
64.
Aan het andere einde van zijn bestaan staat de mens voor het geheim van de
dood. Als gevolg van vorderingen in de geneeskunde en in een cultuurmilieu dat
zich vaak afsluit voor het transcendente, kent de stervenservaring tegenwoordig
enkele nieuwe elementen. Wanneer de tendens overheerst om het leven alleen te
waarderen in de mate dat het plezier en welbevinden biedt, schijnt het lijden
een ondraaglijke nederlaag te zijn, iets waarvan men zich tegen elke prijs moet
bevrijden. De dood wordt als “absurd”beschouwd wanneer hij plotseling een leven
onderbreekt dat nog open staat naar een toekomst van nieuwe, interessante
ervaringen. Maar hij wordt een “rechtmatige bevrijding”wanneer men het leven
niet meer zinvol acht omdat het vol pijn is en onverbiddelijk gedoemd tot zelfs
nog groter lijden.
Bovendien meent de mens wanneer hij
zijn fundamentele betrekking met God ontkent of verwaarloost, dat hij voor
zichzelf maatstaf en norm is, met het recht om te eisen dat de maatschappij hem
de wegen en middelen garandeert om te beslissen wat hij met zijn leven doet in
volle en totale autonomie. Vooral mensen in de ontwikkelde landen handelen zo:
ze voelen zich hiertoe ook aangemoedigd door de voortdurende vooruitgang van de
geneeskunde en haar steeds meer gevorderde technieken. Met behulp van uiterst
spitsvondige systemen en apparatuur, zijn de wetenschap en de medische praktijk
vandaag niet alleen in staat om voor vroeger onoplosbare gevallen een oplossing
te vinden en pijnen te verzachten of te verhelpen, maar ook om het leven, zelfs
een toestand van uiterste zwakte, in stand te houden en te verlengen, mensen na
het wegvallen van hun biologische basisfuncties te reanimeren en ingrepen te
doen om organen voor transplantaties te verkrijgen.
In deze context groeit de bekoring om
zijn toevlucht te nemen tot euthanasie dwz: zich tot heer over de dood te maken
en die voortijdig op te wekken, door “op zachte wijze”zijn eigen leven of dat
van anderen te beëindigen. In werkelijkheid blijkt dat, wat misschien
logisch en menselijk lijkt, absurd en onmenselijk wanneer men het nader
beschouwt. We staan hier voor een van de alarmerendste symptomen van de
“cultuur van de dood”, die vooral in welvarende samenlevingen voortschrijdt,
gekenmerkt door een prestatiedenken dat het groeiende aantal oude en zwakke
mensen als te belastend en onverdraaglijk beschouwt. Ze worden heel vaak
geïsoleerd door hun families en door de samenleving, die bijna uitsluitend
is georganiseerd op basis van maatstaven van produktieve doelmatigheid, volgens
welke een hopeloos arbeidsongeschikt leven geen waarde meer heeft.
65. Voor een
correct zedelijk oordeel over euthanasie is allereerst een heldere omschrijving
vereist. Onder euthanasie in haar eigenlijke betekenis verstaat men een handelen of
nalaten, dat van nature en bedoeld de dood veroorzaakt, om zo alle lijden te
beëindigen. “Bij euthanasie draait het dus om de bedoeling van de wil en
om de manier van handelen”76.
Euthanasie moet men onderscheiden van
de beslissing of af te zien van zgn. “agressieve medische behandeling”, m.a.w.:
medische procedures die niet langer stroken met de werkelijke situatie van de
patiënt ofwel omdat die inmiddels niet meer in verhouding staan tot de
verhoopte resultaten of omdat die een te zware last leggen op de patiënt
en zijn familie. In zulke situaties, wanneer de dood zich duidelijk dreigend en
onvermijdelijk aandient, kan men in geweten “aan de behandelingswijze verzaken
die slechts een hachelijk en smartvol rekken van het leven zou betekenen,
zonder evenwel de gewone zorgen na te laten die men in dergelijke gevallen aan
een zieke verschuldigd is”77. Zeker is er een morele plicht
om zichzelf te laten verzorgen en behandelen, maar deze plicht moet aan de
concrete omstandigheden afgemeten worden. Men moet bepalen of de middelen tot
behandeling objectief stroken met de vooruitzichten op verbetering.
Uitzonderlijke of onevenredige middelen afwijzen staat niet gelijk met
zelfmoord of euthanasie; het is eerder een uitdrukking van de aanvaarding van
de menselijke situatie in het zicht van de dood 78.
In de moderne geneeskunde wordt steeds
meer aandacht gegeven aan wat “methoden van palliatieve zorg”worden genoemd,
die het lijden draaglijker trachten te maken in de laatste stadia van de ziekte
en die moeten verzekeren dat de patiënt op dat moment menselijk gesteund
en begeleid wordt. Onder de vragen die in deze context opkomen is die naar de
geoorloofdheid van het gebruik van allerlei soorten pijnstillers en
kalmeringsmiddelen om de pijn van de patiënt te verzachten als dit het
risico van levensverkorting inhoudt. Terwijl men de mens mag prijzen die
vrijwillig het lijden aanvaardt door af te zien van een behandeling met
pijnstillers om volkomen helder te blijven, en, zo hij een gelovige is, bewust
te delen in het Lijden van de Heer, mag men zulk “heldhaftig”gedrag niet tot
ieders plicht rekenen. Reeds Pius XII zei dat het geoorloofd is pijn door
narcotica te onderdrukken, zelfs wanneer dat verminderd bewustzijn en
levensverkorting tot gevolg heeft, “als er geen andere middelen bestaan, en als
in de gegeven omstandigheden dit niet leidt tot de belemmering van andere
godsdienstige en morele plichten”79. In zo”n geval wordt de dood
niet gewild of gezocht, ook al loopt men het risico daarop uit redelijke
motieven: men wil enkel de pijn verminderen door de pijnstillers die de
geneeskunde aanbiedt. Niettemin “mag men de stervende niet zonder ernstige
reden van het bewustzijn beroven”80: wanneer zij de dood
naderen moeten mensen in staat zijn om hun zedelijke en gezinsplichten te
vervullen en vooral om zich bij volle bewustzijn voor te bereiden op de
uiteindelijke ontmoeting met God.
Na deze onderscheidingen bevestig ik in
overeenstemming met het Leergezag van mijn Voorgangers 81 en
in gemeenschap met de bisschoppen van de katholieke Kerk, dat euthanasie een
zware schending is van de wet van God, aangezien zij het opzettelijk en
zedelijk onaanvaardbaar doden betekent van een menselijke persoon. Deze leer
stoelt op de natuurwet en op het geschreven woord van God, is doorgegeven door
de Traditie van Kerk en geleerd door het gewone en algemene 82
Leergezag.
Afhankelijk van de omstandigheden houdt
deze praktijk een kwaadwilligheid in die eigen is aan zelfmoord of moord.
66. Zelfmoord
is altijd even moreel onaanvaardbaar als moord. De overlevering van
de Kerk heeft hem altijd als ernstig kwade keuze afgewezen 83.
Ook al kunnen bepaalde psychologische, culturele en sociale gegevens een mens
ertoe brengen om een handeling uit te voeren die zo radicaal in tegenspraak is
met de natuurlijke neiging tot leven en zo de subjectieve verantwoordelijkheid
verminderen of wegnemen, toch is zelfmoord objectief gezien een ernstig
immorele daad. Feitelijk betekent het de afwijzing van de eigenliefde en
afwijzing van de plicht tot rechtvaardigheid en liefde tot de naaste, tot de
gemeenschappen waartoe men behoort en tot de samenleving als geheel 84.
In zijn diepste kern is zelfmoord een afwijzing van Gods absolute
soevereiniteit over leven en dood, zoals die wordt verkondigd in het gebed van
de oude wijze van Israël: “Gij hebt macht over leven en dood; Gij voert
mensen naar de poorten van de onderwereld en weer omhoog”(W 16,13; vgl.Tob
13,2).
Instemmen met het plan van een ander om
zelfmoord te plegen en helpen bij de uitvoering ervan door zgn “hulp bij
zelfdoding”betekent samenwerken met, en soms de eigenlijke uitvoerder zijn van
een onrecht waarvoor nooit een rechtvaardiging bestaat, zelfs wanneer erom
gevraagd zou zijn. “Het is nooit geoorloofd - schrijft St.Augustinus met
verrassende actualiteit - een ander te doden: zelfs als hij het zou willen, ja
erom vraagt omdat hij, zwevend tussen leven en dood, om hulp smeekt bij de
bevrijding van de ziel in haar strijd tegen de banden van het lichaam en in
haar verlangen om vrij te zijn; ook is het niet geoorloofd wanneer een zieke
niet meer in staat is te leven”85. Ook als zij niet
gemotiveerd is door een egoïstische weigering om belast te worden met het
leven van iemand die lijdt, moet euthanasie een vals medelijden, ja een
bedenkelijke “perversie”van medelijden genoemd worden, Echt “medelijden”deelt
in andermans lijden; het doodt niet de mens wiens lijden onverdraaglijk is. Bovendien
blijkt de daad van euthanasie des te perverser als ze wordt uitgevoerd door
mensen, zoals familieleden, van wie men verwacht dat ze een familielid geduldig
en liefdevol behandelen of door hen - bijv. artsen - van wie krachtens hun
specifieke beroep verwacht mag worden dat zij zorgen voor de zieke persoon,
zelfs in de pijnlijkste terminale stadia.
De keuze voor euthanasie wordt
ernstiger wanneer ze de vorm aanneemt van een moord, uitgevoerd door anderen,
op een persoon die er helemaal niet om gevraagd heeft en die er nooit mee heeft
ingestemd. Het toppunt van willekeur en onrecht wordt bereikt wanneer bepaalde
artsen of wetgevers zich de macht aanmatigen om te beslissen wie mag leven en
wie sterven. Opnieuw staan we voor de bekoring van Eden: te worden als God die
“goed en kwaad kent”(vgl. Gn 3,5). God alleen heeft de macht over leven en
dood: “Ik ben het die dood en leven brengt”(Dt 32,339; vgl. 2Kon 5,7; 1Sam
2,6). Maar Hij oefent die macht alleen uit volgens een plan van wijsheid en
liefde. Wanneer de mens zich deze macht aanmatigt, omdat hij de slaaf is van
een dwaze en zelfzuchtige denkwijze, gebruikt hij haar onvermijdelijk voor
onrecht en dood. Zo wordt het leven van de mens die zwak is handen van een die
sterk is gelegd: in de samenleving verdwijnt het rechtsgevoel en het wederzijds
vertrouwen, de basis van iedere authentieke intermenselijke betrekking wordt
ondergraven aan de wortel.
67. Volkomen
verschillend hiervan is de weg van liefde en echt medelijden, die ons
gezamenlijk menszijn voorschrijft en waar het geloof in Christus de Verlosser,
die gestorven en verrezen is, steeds nieuw licht op werpt. Het verzoek dat uit
het mensenhart opstijgt bij de uiterste confrontatie met lijden en dood, vooral
wanneer het oog in oog staat met de bekoring om op te geven in totale wanhoop,
is vooral een verzoek om begeleiding, solidariteit en steun in de tijd van
beproeving. Het is een bede om hulp om te blijven hopen wanneer alle menselijke
hoop vervliegt. Zoals Vaticanum II ons in overweging geeft: “In het licht van
de dood krijgt het raadsel van het menselijk bestaan zijn grootste dimensie”en
toch: “Intuïtief geeft zijn hart hem het juiste oordeel, wanneer hij zich
vol huiver afkeert van een totale ruïnering en een definitieve verdwijning
van zijn persoon. Daar het zaad van eeuwigheid dat hij in zich draagt niet is
ontstaan uit de loutere materie, verzet het zich tegen de dood”86.
Deze natuurlijke afkeer van de dood en
deze beginnende hoop op onsterfelijkheid worden verlicht en tot vervulling
gebracht door het christelijk geloof, dat zowel de belofte als het aanbod doet
van een deelhebben aan de overwinning van de Verrezen Christus: het is de
overwinning van Hem die, door zijn verlossende dood, de mens heeft bevrijd van
de dood, “het loon van de zonde”(Rom 6,23), en die hem de Geest heeft gegeven,
het onderpand voor de verrijzenis en het leven (vgl. Rom 8,11). De zekerheid
over de toekomstige onsterfelijkheid en de hoop op de beloofde verrijzenis
werpen een nieuw licht op het geheim van het lijden en sterven en vervullen de
gelovigen met een buitengewone kracht om zich aan het plan van God toe te
vertrouwen.
De apostel Paulus heeft dit nieuwe
uitgedrukt in termen van een volledig toebehoren aan de Heer die de mens in
iedere toestand omarmt: “Niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft
voor zichzelf: leven wij, dan leven wij voor de Heer; sterven wij, dan sterven
wij voor de Heer. Of wij leven of sterven, wij behoren aan de Heer toe”(Rom
14,7-8). Sterven voor de Heer betekent de eigen dood beleven als laatste
gehoorzaamheid aan de Vader (vgl. Fil 2,8), doordat wij de ontmoeting met de
dood in het door Hem gewilde en vastgestelde “uur”aanvaarden (vgl. Joh 13,1),
die alleen kan zeggen wanneer onze aardse weg ten einde is. Leven voor de Heer
betekent ook erkennen dat het lijden, ook wanneer het op zichzelf een kwaad en
een beproeving blijft, altijd tot een bron van het goede kan worden. Dat is het
geval wanneer het uit liefde en met liefde uit vrijwillige overgave aan God en
uit vrije persoonlijke beslissing beleefd wordt in deelname aan het lijden van
de gekruisigde Christus zelf. Zo gaat hij die zijn lijden leeft in de Heer,
volkomen op Hem lijken (vgl. Fil 3,10; 1Pe 2,21) en heeft hij ten diepste deel
aan zijn verlossingswerk voor de Kerk en voor de mensheid 87.
Dat is de ervaring van de Apostel, tot navolging waarvan ook iedere lijdende
mens geroepen wordt: “Nu verheug ik mij in het lijden dat ik voor u verdraag.
Voor het lichaam van Christus, de Kerk, voltooi ik in mijn aardse leven dat,
wat aan het lijden van Christus nog ontbreekt”(Kol 1,24).
|