|
68. Een van de
specifieke kenmerken van de - reeds vaak genoemde - tegenwoordige aanslagen op
het menselijk leven bestaat in de tendens om wettelijke legitimatie daarvoor te
eisen, alsof het om rechten zou gaan die de staat, tenminste onder bepaalde
voorwaarden, aan de burgers moet toekennen, en, als gevolg daarvan, in de
tendens om de toepassing van deze rechten met de zekere en vrije hulp van
artsen en verplegend personeel te verlangen.
Vaak wordt beweerd, dat het leven
van een ongeborene of van iemand die zich in totale zwakte bevindt, alleen maar
een betrekkelijk goed is: volgens een proportionalistische benadering of een
koude berekening zou het met andere goederen vergeleken en afgewogen moeten
worden. En er wordt ook beweerd dat alleen iemand die zich in de concrete situatie
bevindt en persoonlijk erbij betrokken is, rechtmatig een afweging van de
goederen waarom het gaat, kan maken. Als gevolg daarvan zou alleen hij over de
moraliteit van zijn keuze kunnen beslissen. De staat zou daarom in het belang
van het burgerlijk samenleven en de sociale eendracht deze beslissing moeten
eerbiedigen en tenslotte ook abortus en euthanasie toelaten.
Soms wordt de mening gehoord dat de wet
van de staat niet zou kunnen verlangen dat alle burgers overeenkomstig een
morele standaard leven die hoger is dan die, die zij zelf erkennen en delen. Daarom
moet de wet altijd de uitdrukking van de mening of van de wil van de
meerderheid der burgers zijn en hun, tenminste in bepaalde extreme gevallen,
ook het recht op abortus en euthanasie toekennen. Overigens zou het verbod op
en de bestraffing van abortus en euthanasie in deze gevallen - zo beweert men -
onvermijdelijk tot een toename van illegale praktijken leiden: maar deze zouden
niet aan de noodzakelijke sociale controle onderworpen zijn, en zouden zonder
de gewenste medische veiligheid uitgeoefend worden. Hier vraagt men zich
bovendien af, of vasthouden aan een concrete, niet-uitvoerbare wet, tenslotte
niet zou betekenen dat ook de geloofwaardigheid van elke andere wet,
ondergraven zou worden.
De radicaalste standpunten gaan
tenslotte zover te beweren, dat in een moderne en pluralistische maatschappij
aan iedere mens volledige autonomie toegekend moet worden om over het eigen
leven en het leven van het ongeboren kind te beschikken: de keuze en de
beslissing tussen de verschillende morele opvattingen zou inderdaad niet een
zaak van de wet moeten zijn, en nog minder het opleggen van een bepaalde mening
ten koste van andere.
69. In elk geval
is in de democratische cultuur van onze tijd de mening wijd verbreid dat de
rechtsorde van een maatschappij zich ertoe moet beperken, de overtuigingen van
de meerderheid op te tekenen en aan te nemen en daarom slechts bouwen op
datgene wat de meerderheid zelf als moreel erkent en beleeft. Wanneer dan zelfs
de mening wordt verkondigd dat een algemene en objectieve waarheid de facto
onaannemelijk is, dan zou het respect voor de vrijheid van de burgers - die in
een democratisch systeem als de eigenlijke soeverein gelden - vereisen, dat men
op het niveau van de wetgeving de autonomie van de individuele gewetens erkent
en daarom bij het vastleggen van die normen die in elk geval voor het sociale
samenleven noodzakelijk zijn, uitsluitend recht doet aan de wil van de
meerderheid, hoe die ook mag zijn. Op deze wijze zou iedere politicus in zijn
handelen het terrein van het eigen geweten duidelijk moeten scheiden van dat
van het publieke gedrag.
Als gevolg daarvan kan men twee,
blijkbaar diametraal tegengestelde tendensen vaststellen. Aan de ene kant eisen
de afzonderlijke individuen voor zichzelf de meest volledige zedelijke
beslissingsautonomie op en eisen zij dat de staat geen morele opvatting tot de
zijne maakt en voorschrijft, maar dat hij zich ertoe beperkt de vrijheid van
ieder afzonderlijk de grootst mogelijke ruimte te garanderen, met als enige
beperking naar buiten dat men de ruimte van autonomie niet aantast waarop ook
iedere andere burger recht heeft. Van de andere kant meent men dat, bij het
uitoefenen van de publieke en professionele taken, het respect voor de
beslissingsvrijheid van de ander vereist, dat eenieder zijn eigen overtuigingen
aan de kant zet om zich in dienst te stellen van ieder verzoek van de burgers,
die de wetten erkennen en beschermen, waarbij als enige zedelijke maatstaf voor
de uitoefening van eigen functies aanvaard wordt, wat precies door deze wetten
vastgelegd is. Zo wordt, met voorbijzien van het eigen zedelijke geweten,
tenminste op het gebied van de openbare activiteit, de verantwoordelijkheid van
de mens aan de burgerlijke wet overgelaten.
70. De
gemeenschappelijke wortel van al deze tendensen is het ethisch relativisme dat
voor grote delen van de moderne cultuur kenmerkend is. Sommigen beweren dat dit
relativisme een voorwaarde is voor de democratie, omdat alleen tolerantie het
wederzijds respect van de mensen onderling en de binding aan de beslissingen
van de meerderheid zou garanderen, terwijl de zedelijke normen, als bindend en
objectief beschouwd, zouden leiden tot autoritarisme en intolerantie.
Maar juist de problematiek van het
respect voor het leven laat zien welke misverstanden en tegenstellingen,
gepaard gaand met van ontstellende praktische gevolgen, zich achter deze
mentaliteit verbergen.
Het klopt dat de geschiedenis gevallen
kent waarin in de naam van de “waarheid”misdaden zijn begaan. Maar niet minder
ernstige misdaden en radicale ontkenningen van de vrijheid werden en worden ook
nu nog in naam van het “ethische relativisme”begaan. Neemt een parlementaire of
maatschappelijke meerderheid, wanneer ze de rechtmatigheid van de onder
bepaalde voorwaarden uitgevoerde doding van het ongeboren menselijke leven
goedkeurt, soms niet een “tiranniek”besluit tegen het zwakste en meest weerloze
menselijk wezen? Het wereldgeweten reageert terecht op de misdaden tegen de
menselijkheid waarmee onze eeuw zulke treurige ervaringen heeft opgedaan. Zouden
deze wandaden misschien niet langer misdaden zijn, wanneer zij in plaats van
door gewetenloze tirannen te zijn begaan, door de toestemming van het volk
rechtmatig verklaard zouden zijn?
Men mag echter democratie niet in die
mate tot mythe maken dat ze tot een vervanging wordt van moraliteit of tot een
panacee tegen de onzedelijkheid. Van nature is zij een “orde”en, als zodanig,
een werktuig en niet een doel. Haar “zedelijk”karakter komt niet vanzelf, maar
hangt af van de overeenstemming met de zedenwet waaraan zij, zoals ieder ander
menselijk gedrag, onderworpen moet zijn: d.w.z.: het hangt af van de
zedelijkheid van de doelen die zij nastreeft en van de middelen die zij
gebruikt. Wanneer tegenwoordig een bijna wereldwijde overeenstemming over de
waarde van de democratie kan worden vastgesteld, dan wordt dat als een positief
“teken van de tijd”beschouwd, zoals ook het leergezag van de Kerk herhaaldelijk
heeft uitgesproken 88. Maar de waarde van de democratie
staat of valt met de waarden die zij belichaamt en koestert: fundamenteel en
onmiskenbaar zijn zeker de waarden van iedere menselijke persoon, het respect
voor zijn onaantastbare en onvervreemdbare rechten, alsook de bestemming van
het “algemeen belang”tot doel en regelende maatstaf voor het politieke leven.
De fundamenten van deze waarden kunnen
niet voorlopige en wisselende menings-”meerderheden”zijn, maar alleen de
erkenning van een objectieve zedenwet, die als de “natuurwet”die de mens in het
hart geschreven staat, het referentiepunt is dat de norm stelt juist voor deze
burgerlijke wet. Wanneer als gevolg van een tragische collectieve
gewetensverduistering het scepticisme tenslotte zelfs de grondslagen van de
zedenwet in twijfel zou trekken, dan zou zelfs de democratische orde in zijn
grondslagen aangetast worden, aangezien zij zou verworden tot een louter
mechanisme van het empirisch regelen van verschillende en tegengestelde
belangen 89.
Menigeen zou zich kunnen voorstellen
dat zelfs deze functie, bij gebrek aan beter, omwille van de sociale vrede,
gewaardeerd zou moeten worden. Zelfs wanneer men in zulke beoordeling een zeker
waarheidsaspect erkent, dan moet men toch zien dat zonder een objectieve
zedelijke verankering ook de democratie geen stabiele vrede kan garanderen,
temeer daar de vrede die niet aan de waarden van de waardigheid van iedere mens
en van de solidariteit onder alle mensen gemeten wordt, niet zelden een
bedrieglijke zaak is. Want in de regeringssystemen zelf die een democratische
participatie kennen, leidt de regeling van de belangen dikwijls tot het
voordeel van de sterkeren, aangezien zij niet alleen het beste de hefbomen van
de macht, maar ook de totstandkoming van een consensus kunnen sturen. In een
dergelijke situatie wordt democratie gemakkelijk tot een leeg begrip.
71. Met het oog
op de toekomst van de maatschappij en op de ontwikkeling van de gezonde
democratie is het daarom dringend nodig om de aanwezigheid van essentiële
en aangeboren menselijke en zedelijke waarden opnieuw te ontdekken, die uit de
waarheid van het menszijn zelf voortkomen en die de waardigheid van de persoon
uitdrukken en beschermen: waarden dus, die geen enkeling, geen meerderheid en
geen staat ooit kunnen produceren, veranderen of vernietigen, maar die zij
alleen zullen moeten erkennen, eerbiedigen en koesteren.
In deze zin moet men de basiselementen
van een visie op de betrekking tussen burgerlijke wet en zedenwet herontdekken,
die door de Kerk naar voren worden gebracht maar die ook deel zijn van het
erfgoed van de grote rechtstradities der mensheid.
Zeker, de taak van de burgerlijke wet
is in vergelijking met die van de zedenwet anders en van beperkter omvang. Toch
kan “in geen levenssfeer de burgerlijke wet de plaats innemen van het geweten
of normen voorschrijven m.b.t. dingen die buiten zijn bevoegdheid
liggen”90, dat is de verzekering van het welzijn van de
mensen door de erkenning en de verdediging van hun grondrechten, en door de
bevordering van de vrede en de openbare zedelijkheid 91. Want
de taak van de burgerlijke wet bestaat in het garanderen van een geordende
sociale samenleving in ware gerechtigheid, opdat wij allen “in alle vroomheid
en rechtschapenheid ongestoord en rustig kunnen leven”(1Tim 2,2). Juist daarom
moet de burgerlijke wet voor alle leden van de maatschappij het respect voor
enkele grondrechten garanderen, die aan de mens als persoon eigen zijn en die
elke positieve wet moet erkennen en garanderen. Het eerste en meest
fundamentele van alle rechten is het onaantastbare recht op leven van iedere
onschuldige mens. Ook als het openbaar gezag er soms voor kan kiezen om iets
niet te stoppen dat, als het verhinderd zou worden, ernstiger schade zou doen
92, kan zij desondanks nooit toelaten dat enkelingen - zelfs
wanneer die de meerderheid van de leden van de maatschappij zouden vormen - het
recht krijgen andere mensen te schaden door hun grondrechten, zoals dat op
leven, niet te erkennen. Het wettelijk dulden van abortus en euthanasie kan
zich juist daarom geenszins beroepen op het respect voor het geweten van de
anderen, omdat de maatschappij het recht en de plicht heeft zich te beschermen
tegen de misbruiken die in naam van het geweten en onder voorwendsel van de
vrijheid tot stand kunnen komen 93.
In de encycliek Pacem in terris wees
Johannes XXIII erop dat “in de denkwijze van onze tijd het algemene welzijn
vooral gelegen is in het veiligstellen van de rechten en plichten van de
menselijke persoon. De taak van de gezagsdragers dient er vooral op gericht te
zijn om deze rechten te erkennen, te eerbiedigen, met elkaar in overeenstemming
te brengen, te verdedigen en te bevorderen, zodat daardoor iedereen zich
gemakkelijker van zijn plichten kan kwijten. Want “dit is de voornaamste plicht
van ieder staatsgezag: om de onaantastbare rechten van de mens te beschermen en
ervoor te zorgen dat ieder gemakkelijk zijn taak kan vervullen”. Daarom, indien
de gezagsdragers de rechten van de mens niet erkennen of aantasten, wijken zij
niet alleen af van hun eigen plicht, maar hun voorschriften missen ook iedere
juridische verplichting”94.
72. De leer over
de noodzakelijke overeenstemming van de burgerlijke wet met de zedenwet staat
in de continuïteit van de hele traditie van de Kerk. Dit blijkt nog eens
uit Johannes XXIII”s encycliek: “Gezag wordt gevraagd door de zedelijke orde en
komt van God. Als gevolg daarvan kunnen wetten en besluiten die tegen de morele
orde ingaan en dus tegen de goddelijke wil geen bindende kracht hebben in het
geweten(...); inderdaad, het aannemen van zulke wetten ondermijnt het wezen
zelf van het gezag en resulteert in schaamteloos misbruik”95.
Dit is de heldere leer van de H. Thomas van Aquino, die schrijft dat “de
menselijke wet wet is inzoverre zij overeenstemt met de rechte rede en zo is
ontleend aan de eeuwige wet. Wanneer ze echter van het verstand afwijkt, wordt
het een onrechtvaardige wet genoemd en heeft het niet het karakter van een wet,
maar veeleer dat van een daad van geweld”96. En verder:
“Elke door mensen gemaakte wet heeft inzoverre het karakter van een wet, voor
zover ze afgeleid wordt van de natuurwet. Maar wanneer ze op enig punt van de
natuurwet afwijkt, dan zal ze niet meer wet zijn, maar eerder een corruptie van
de wet”97.
De eerste en meest rechtstreekse
toepassing van deze leer betreft de menselijke wet die het fundamentele
grondrecht op leven, dat iedere mens eigen is, niet erkent. Zo staan de wetten
die het rechtstreekse doden van onschuldige mensen, in de vormen van abortus en
euthanasie, voor gewettigd verklaren, in totale en onverzoenlijke tegenspraak
met het onaantastbare recht op leven dat alle mensen eigen is en ontkennen zij
bovendien de gelijkheid van allen voor de wet. Men zou kunnen tegenwerpen dat
dit dan niet geldt voor euthanasie, wanneer de betreffende mens bij volledig
bewustzijn erom gevraagd heeft. Maar een staat die een dergelijk verzoek zou
wettigen en doorvoering ervan toelaten, zou tegen de grondbeginselen van
absoluut respect voor het leven en van de bescherming van ieder mensenleven een
zelfmoord, respectievelijk moord, legaliseren. Zo wordt ruim baan gemaakt voor
het nalaten van eerbied voor het leven en effent men de weg voor een houding
die het vertrouwen in de sociale betrekkingen vernietigt.
De wetten die abortus en euthanasie
toelaten en bevorderen, stellen zich dus niet alleen radicaal op tegen het
welzijn van het individu, maar ook tegen het gemeenschappelijk welzijn, en
missen daarom iedere geloofwaardige rechtsgeldigheid. Het niet erkennen van het
recht op leven gaat het meest rechtstreeks en onherstelbaar in tegen de
mogelijkheid om het algemeen welzijn te realiseren, juist omdat het leidt tot
het doden van de mens: de maatschappij bestaat juist om in dienst van hem te
staan. Daaruit volgt dat, wanneer een burgerlijke wet abortus en euthanasie
goedkeurt, zij juist daarom geen echte, zedelijk verplichtende burgerlijke wet
meer is.
73. Abortus en
euthanasie zijn dus misdrijven waarvan geen enkele menselijke wet zich de
legitimatie kan aanmatigen. Wetten van deze soort houden niet alleen geen
verplichting voor het geweten in, maar wekken veeleer de ernstige en duidelijke
plicht op, om zich ertegen te verzetten met behulp van het beroep op
gewetensbezwaren. Vanaf de begintijden van de Kerk heeft de verkondiging van de
apostelen de christenen de plicht tot gehoorzaamheid jegens het rechtmatig
optredende openbaar gezag ingeprent (vgl. Rom 1-7; 1Pe 2,13-14), maar
tegelijkertijd krachtig gewaarschuwd dat men “God meer moet gehoorzamen dan de
mensen”(Hnd 5,29). Reeds in het Oude Testament vinden we met betrekking tot de
bedreigingen tegen het leven een belangrijk voorbeeld van de tegenstand tegen
het onrechtvaardige gebod van het openbaar gezag. De joodse vroedvrouwen
verzetten zich tegen de farao, die bevolen had om iedere pasgeboren jongen te
doden. Zij “deden niet wat de koning van Egypte bevolen had, maar lieten de
kinderen in leven”(Ex 1,17). Belangrijk is echter om op de diepere reden van
dit gedrag te wijzen: “De vroedvrouwen vreesden God”(ibid.). Uit de
gehoorzaamheid jegens God - aan wie alleen die vrees toekomt die de erkenning
van zijn absolute soevereiniteit is - groeien de kracht en de moed om aan de onrechtvaardige
wetten van de mensen te weerstaan. De kracht en de moed van hem die bereid is
ook de gevangenis in te gaan of door het zwaard om te komen, in de zekerheid
dat “hier de standvastigheid en de geloofstrouw van de heiligen moet
blijken”(Apk 13,10).
Daarom is het nooit geoorloofd zich te
voegen naar een in zichzelf onrechtvaardige wet, zoals die welke abortus en
euthanasie toelaat, “noch door deelname aan een propagandacampagne voor een dergelijke
wet, noch door er zijn stem aan te geven”98.
Een bijzonder gewetensprobleem kan zich
voordoen in de gevallen waarin een parlementaire stemming beslissend zou zijn
voor het aannemen van een strengere wet, bedoeld om het aantal legale abortussen
te beperken, in plaats van een wet die meer toelaat, wanneer die reeds zou zijn
aangenomen of ter stemming gereed zou liggen. Zulke gevallen komen nogal eens
voor. Het is een feit dat, terwijl in sommige delen van de wereld er
voortdurend campagnes plaatsvinden om wetten in te voeren ten gunste van
abortus, vaak gesteund door machtige internationale organisaties, in andere
landen - in het bijzonder die, die al ervaring hebben met de bittere vruchten
van zulke “vrije”wetgeving - er toenemende tekenen zijn van een herbezinning op
dit vlak. In een geval als het juist genoemde, wanneer het niet mogelijk is een
abortuswet af te wenden of volledig af te stemmen, zou het een afgevaardigde,
wiens persoonlijke absolute tegenstand tegen abortus duidelijk en aan iedereen
bekend gemaakt was, geoorloofd kunnen zijn wetsvoorstellen te steunen die ten
doel hebben de schade te beperken van zo”n wet en die de negatieve effecten op
het gebied van de cultuur en de openbare moraal verminderen. Zo werkt men
namelijk niet ongeoorloofd mee aan een onrechtvaardige wet, maar veeleer wordt
een wettige en passende poging ondernomen om de kwade aspecten te beperken.
74. De invoering
van onrechtvaardige wetten plaatst moreel juiste mensen dikwijls voor moeilijke
gewetensproblemen m.b.t. medewerking in verhouding tot een goede toepassing van
het eigen recht om niet gedwongen te worden tot deelname aan moreel slechte
handelingen. Soms zijn de beslissingen die nodig blijken, pijnlijk en kunnen ze
er zelfs om vragen een hoge beroepspositie op te geven of af te zien van
gewettigde promotie- en carrièreperspectieven. In andere gevallen kan
blijken dat het doorvoeren van in zichzelf onbepaalde of zelfs positieve
handelingen, die in de artikelen van als geheel onrechtvaardige wetgevingen
zijn voorzien, de bescherming van een bedreigd mensenleven toelaat. Van de
andere kant mag men daarentegen met recht vrezen dat de bereidheid om
dergelijke handelingen uit te voeren, niet slechts tot een steen des aanstoots
wordt en de nodige weerstand tegen aanvallen op het leven verzwakt, maar
geleidelijk zal leiden tot verdere capitulatie voor een houding die alles
toelaat.
Om licht te werpen op deze moeilijke
morele kwestie moet herinnerd worden aan de algemene principes t.a.v. de
medewerking aan slechte handelingen. Zoals alle mensen van goede wil worden de
christenen aangespoord om onder ernstige verplichting van hun geweten, niet aan
die praktijken formeel mee te werken, die, hoewel door de wetgeving van de
staat toegelaten, tegengesteld zijn aan de Wet van God. Want vanuit moreel
gezichtspunt is het nooit geoorloofd formeel aan het kwaad mee te werken. Zo”n
medewerking vindt plaats wanneer de uitgevoerde handeling ofwel op grond van
haar aard, ofwel vanwege de vorm die zij in een concreet kader aanneemt,
gekarakteriseerd moet worden als directe deelname aan een tegen het onschuldige
mensenleven gerichte daad of als instemming met de immorele bedoeling van de
hoofddader. Deze medewerking kan nooit worden gebillijkt, noch door een beroep
op het respect voor de vrijheid van de ander, noch door te steunen op het feit
dat de burgerlijke wet deze medewerking voorziet en bevordert: want voor de
handelingen die ieder persoonlijk uitvoert, bestaat een morele
verantwoordelijkheid waaraan zich niemand kan onttrekken en volgens welke God
zelf eenieder zal oordelen (vgl. Rom 2,6; 14,12).
Weigeren om aan het begaan van een
onrecht mee te doen is niet alleen een morele plicht maar ook een menselijk
grondrecht. Als dat niet zo zou zijn, zou de mens gedwongen zijn een handeling
uit te voeren die met zijn waardigheid op zich onverenigbaar was: op die manier
zou zijn vrijheid, waarvan de authentieke betekenis en het doel berusten op
haar oriëntatie op het ware en het goede, radicaal bedreigd worden. Het
gaat dus om een wezenlijk recht dat juist als zodanig door de burgerlijke wet
zelf moet worden voorzien en beschermd. In deze zin zou voor de artsen, het
verplegend personeel en de directeuren van ziekenhuizen, klinieken en
verzorgingshuizen, de mogelijkheid gegarandeerd moeten zijn om de deelname aan
de fase van overleg, voorbereiding en uitvoering van zulke handelingen tegen
het leven, te weigeren. Wie grijpt naar het middel van het gewetensbezwaar moet
niet alleen beschermd zijn tegen strafmaatregelen, maar ook tegen elk soort
schade op wettelijk, disciplinair, economisch en professioneel vlak.
|