|
75.
De geboden van God leren ons de weg van het leven. De negatieve zedelijke
voorschriften, dus die welke de keuze van een bepaalde handeling moreel
onaanvaardbaar verklaren, hebben een absolute waarde voor de menselijke
vrijheid: ze gelden zonder uitzondering altijd en overal. Ze wijzen erop, dat
de keuze van een bepaalde gedragswijze met de liefde tot God en met de waarde
van de naar zijn beeld geschapen mens radicaal onverenigbaar is: zo”n keuze kan
daarom geenszins door de achterliggende goede bedoeling en de eventuele goede
gevolgen afgekocht worden, ze is in onverzoenlijke tegenstelling met de
gemeenschap onder de mensen, ze is in tegenspraak met de fundamentele
beslissing om zijn leven op God te oriënteren 99.
Reeds in deze zin hebben de negatieve
morele voorschriften een uiterst belangrijke positieve functie: het “neen”dat
zij onvoorwaardelijk eisen, noemt de absolute grens, waaronder de vrije mens
niet kan dalen, en tegelijkertijd geeft het het minimum aan dat hij moet
eerbiedigen en waarvan hij moet uitgaan om ontelbare malen “ja”te zeggen, een
“ja”dat in staat is steeds meer de totale horizon van het goede waar te nemen
(vgl. Mt 5,48). De geboden, in het bijzonder de negatieve morele voorschriften,
vormen de aanvang en de eerste noodzakelijke etappe van de weg naar de
vrijheid: “De eerste vrijheid - schrijft Sint Augustinus - bestaat in het vrij
zijn van misdaden (...) zoals daar zijn moord, echtbreuk, ontucht, diefstal,
bedrog, godslastering, enzovoorts. Wanneer iemand met deze misdaden niets van
doen heeft (en geen christen mag er iets mee van doen hebben) begint hij zijn
hoofd op te heffen naar de vrijheid, maar dat is pas het begin van de vrijheid,
niet de volkomen vrijheid”100.
76. Het gebod
“gij zult niet doden”bepaalt dus het uitgangspunt voor een weg in ware
vrijheid, die ons ertoe brengt het leven actief te bevorderen en bepaalde
houdingen en gedragspatronen in dienst van het leven te ontwikkelen: daardoor
vervullen wij onze verantwoordelijkheid tegenover de mensen die zich aan ons
toevertrouwd hebben en brengen in onze daden en in de waarheid aan God onze
dankbaarheid voor het grote geschenk van het leven tot uitdrukking (vgl. Ps
139, 13-14).
De Schepper heeft het leven van de mens
aan zijn verantwoordelijke zorg toevertrouwd, niet om er willekeurig over te
beschikken, maar opdat hij het met wijsheid bewaart en in liefdevolle trouw
verzorgt. De God van het Verbond heeft overeenkomstig de wet van de
wederkerigheid van geven en ontvangen, van zelfgave en opname van de ander, het
leven van iedere mens aan de andere mens, zijn broeder, toevertrouwd. Toen de
tijd vervuld was, heeft de Zoon van God, door mens te worden en zijn leven voor
de mens te geven, laten zien welke hoogte en diepte deze wet van de
wederkerigheid kan bereiken. Door de gave van zijn Geest verleent Christus aan
de wet van de wederkerigheid, aan het toevertrouwen van de ene mens aan de
andere, nieuwe inhoud en betekenis. De Geest, die Bouwmeester van gemeenschap
in liefde is, brengt onder de mensen een nieuwe broederlijkheid en solidariteit,
een echte afstraling van het geheim dat de allerheiligste Drieëenheid
eigen is, het geheim van wederzijds wegschenken en ontvangen. De Geest zelf
wordt tot nieuwe wet, die de gelovigen kracht geeft en die hun
verantwoordelijkheidsbesef aanspoort om door deelname aan de liefde van Jezus
Christus zelf en volgens haar maat, wederzijds de zelfgave en het ontvangen van
de ander te beleven.
77. Door deze
nieuwe wet wordt ook het gebod “gij zult niet doden”bezield en gevormd. Voor de
christen houdt het tenslotte ook het absolute gebod in, om overeenkomstig de
eisen en dimensies van Gods liefde in Jezus Christus het leven van iedere
broeder te respecteren, te beminnen en te bevorderen. “Hij heeft zijn leven
voor ons gegeven; zo moeten ook wij voor onze broeders het leven geven”(1Joh
3,16).
Het gebod “gij zult niet doden”,
verplicht iedere mens ook in zijn meest positieve aspecten van respect, liefde
en bevordering van het menselijk leven. Het klinkt inderdaad als een niet te
onderdrukken echo van het oorspronkelijke Verbond van God de Schepper met de
mens in het morele bewustzijn van iedere mens; het kan door allen in het licht
van het verstand herkend en dankzij het mysterieuze werken van de Geest,
waargenomen worden, die, omdat Hij waait waar Hij wil (vgl. Joh 3,8), iedere
mens die in deze wereld leeft, bereikt en erbij betrekt.
Het is dus een liefdesdienst die wij
verplicht aan onze naaste bieden, opdat zijn leven altijd, maar vooral wanneer
het het zwakste is of bedreigd wordt, beschermd en gekoesterd wordt. Het is
niet slechts persoonlijke, maar sociale zorg die wij allen moeten bieden,
doordat wij wij onvoorwaardelijke eerbied voor het menselijk leven koesteren
ter fundering van een vernieuwde maatschappij.
Er wordt ons gevraagd om het leven van
iedere man en iedere vrouw te beminnen en te eren en standvastig en moedig
eraan te werken, dat in onze tijd, die al te veel tekenen van de dood laat
zien, eindelijk een nieuwe cultuur van het leven, als vrucht van de cultuur van
de waarheid en van de liefde, mag ontstaan.
|