|
78.
De Kerk heeft het Evangelie ontvangen als aankondiging en bron van vreugde en
heil. Ze heeft het ontvangen als een geschenk van Jezus die door de Vader werd
gezonden “om aan de armen de Blijde Boodschap te brengen”(Lc 4,18). Ze heeft
het door de Apostelen ontvangen, die door Hem uitgezonden werden in de hele
wereld (vgl. Mc 16,15; Mt 28,19-20). De Kerk, die ontstond uit deze
evangeliserende activiteit hoort in zichzelf iedere dag het waarschuwende woord
van de Apostel: “Wee mij, wanneer ik het Evangelie niet verkondig”(1Kor 9,16). “Evangeliseren
- schreef Paulus VI - is, inderdaad, de genade en de eigenlijke roeping van de
Kerk, haar diepste identiteit. Zij bestaat om te evangeliseren”101.
Evangelisatie is een wereldwijde en
dynamische actie, waardoor de Kerk deelneemt aan de profetische, priesterlijke
en koninklijke zending van de Heer Jezus. Daarom is zij onscheidbaar verbonden
met de dimensies van verkondiging, viering en dienst van naastenliefde. Het is
een ten diepste kerkelijk handelen, dat allen aantrekt die op de
verschillendste manieren voor het Evangelie werkzaam zijn, ieder naar zijn
talenten en zijn ambt.
Dat geldt ook voor de verkondiging van
het Evangelie van het leven, een wezenlijk bestanddeel van het Evangelie dat
Jezus Christus is. Wij staan in dienst van dit Evangelie, gedragen door het
besef dat wij het als een gave ontvangen hebben en uitgestuurd zijn om het aan
de hele mensheid “tot aan de grenzen van de aarde”(Hnd 1,8) te verkondigen. Nederig
en dankbaar beseffen wij dat wij het volk van het leven en voor het leven zijn
en zo presenteren wij ons aan iedereen.
79. Wij zijn het
volk van het leven omdat God ons, in zijn onvoorwaardelijke liefde, het
Evangelie van het leven geschonken heeft, en wij door dit Evangelie veranderd
en gered zijn. Wij zijn door de “Leidsman ten leven”(Hnd 3,15) vrijgekocht voor
de prijs van zijn kostbaar bloed (vgl. 1Kor 6,20; 7,23; 1Pe 1,19) en door de
doop deel van Hem geworden (vgl. Rom 6,4-5; Kol 2,12), zoals takken die uit de
ene stam levenssap en vruchtbaarheid halen (vgl. Joh 15,5). Innerlijk vernieuwd
door de genade van de Geest, “die Heer is en het leven geeft”, zijn wij
geworden tot een volk voor het leven en worden wij uitgenodigd om ons ook zo te
gedragen.
Wij worden gezonden: in dienst van het
leven te staan is voor ons geen grootspraak maar een plicht die onstaat uit het
besef “een volk”te zijn “dat het bijzondere eigendom van God werd, opdat het
zijn grote daden verkondigt”(1Pe 2,9). Op onze weg leidt ons en draagt ons de
wet van de liefde: het is de liefde welker bron en voorbeeld de mensgeworden
Zoon van God is, die “door zijn dood aan de wereld het leven heeft
geschonken”102.
Wij worden als volk gezonden. De plicht
van dienst aan het leven rust op allen en op ieder afzonderlijk. Het gaat om
een echt “kerkelijke”verantwoordelijkheid die vraagt om het op elkaar
afgestemde, grootmoedige handelen van alle leden en alle groeperingen van de
christelijke gemeenschap. De gemeenschappelijke opgave heft echter de
verantwoordelijkheid van iedere mens niet op, en maakt die ook niet minder. Aan
hem is het gebod van de Heer gericht om voor iedere mens “tot naaste te
worden”: “Ga en doe evenzo!”(Lc 10,37).
Wij voelen allen samen de plicht om het
Evangelie van het leven te verkondingen, het in de liturgie en in ons hele
bestaan te vieren, het te dienen met verschillende initiatieven en structuren
die ten doel hebben het te steunen en te bevorderen.
|