|
80.
“Wat van het begin af bestond, wat wij gehoord hebben, wat wij met onze ogen
gezien hebben, wat wij aanschouwd hebben en wat onze handen hebben aangeraakt,
het Woord des levens(...) dat verkondigen wij ook u, opdat ook u gemeenschap
met ons hebt”(1Joh 1,1.3). Jezus is het enige Evangelie: wij hebben niets
anders te zeggen en te getuigen.
De verkondiging van Jezus is de
verkondiging van het leven. Want Hij is “het Woord des levens”(1Joh 1,1). In Hem
“werd het leven zichtbaar gemaakt”(1Joh 1,2); ja, Hij is zelf “het eeuwige
leven, dat bij de Vader was en aan ons geopenbaard werd”(ibid.). Dankzij de
gave van de Geest werd dit leven aan de mens meegedeeld. Wanneer het op het
leven in zijn volheid is gericht, op het “eeuwige leven”, dan krijgt ook het
aardse leven zijn volle betekenis.
Verlicht door dit Evangelie van het
leven, voelen wij de behoefte om het te verkondigen en om er getuigenis van af
te leggen in al zijn wonderlijke nieuwheid die het kenmerkt: aangezien het
één is met Jezus zelf, die alles nieuw maakt 103
en het “oude”dat van de zonde komt en tot de dood leidt 104,
verslaat, overstijgt dit Evangelie elke menselijke verwachting en openbaart het
de verheven hoogte waartoe de waardigheid van de menselijke persoon verheven
wordt door de genade. De heilige Gregorius van Nyssa verstaat dit aldus: “De
mens is als wezen van geen belang; hij is stof, gras, ijdelheid. Maar zo gauw
hij door de God van het heelal is aangenomen als kind, wordt hij deel van de
familie van dat Wezen, waarvan de uitnemendheid en de grootheid niemand kan
zien, horen of begrijpen. Welke woorden, gedachten of geestesvlucht kan de
overvloed van deze genade prijzen? De mens overstijgt zijn natuur: van
sterfelijk wordt hij onsterfelijk; van vergankelijk wordt hij onvergankelijk;
van voorbijgaand wordt hij eeuwig; van menselijke wordt hij goddelijk”105.
Dankbaarheid en vreugde om de
onvergelijkelijke waardigheid van de mens spoort ons aan om deze boodschap te
delen met iedereen: “Wat we hebben gezien en gehoord, verkondigen wij ook aan
u, opdat ook u gemeenschap hebt met ons”(1Joh 1,3). We moeten het Evangelie van
het leven naar het hart van iedere man en vrouw brengen en het doen
binnendringen in elke hoek van de samenleving.
81. Het gaat erom
allereerst het hart van dit Evangelie te verkondigen. Dat betekent de
verkondiging van een levende en nabije God, die ons roept tot een diepe
verbondendenheid met Hem en ons opent voor de zekere hoop op het eeuwige leven;
het betekent de bevestiging van de onscheidbare samenhang die tussen de
menselijke persoon, zijn leven en zijn lichamelijkheid bestaat; het betekent de
presentatie van het menselijk leven als een leven van betrekking, als
Godsgeschenk, als vrucht en teken van zijn liefde; het betekent de verkondiging
van de buitengewone betrekking van Jezus met iedere mens, die het mogelijk
maakt in ieder menselijk gezicht het gezicht van Christus te herkennen; het
betekent de oproep van de “oprechte zelfgave”als opgave en plaats van de
volledige verwerkelijking van de eigen vrijheid.
Tegelijkertijd gaat het erom alle
consequenties te laten zien die voortkomen uit dit Evangelie, en die men als
volgt kan samenvatten: het menselijk leven, een waardevolle gave Gods, is
heilig en onaantastbaar en daarom zijn speciaal abortus provocatus en
euthanasie absoluut onaanvaardbaar; het leven van de mens mag niet alleen niet
gedood worden, maar het moet met alle liefdevolle aandacht beschermd worden;
het leven vindt zijn betekenis in de ontvangen en de geschonken liefde: in dit
licht ontvangen de seksualiteit en de menselijke voortplanting hun volle
waarheid; in deze liefde hebben ook het lijden en de dood een betekenis, en
kunnen, ofschoon het geheim dat hen omgeeft, voortbestaat, tot
heilsgebeurtenissen worden. Eerbied voor het leven vraagt dat de wetenschap en
de technologie altijd ten dienste staan van de mens en zijn volledige
ontwikkeling. De samenleving als geheel moet de waardigheid van iedere
menselijke persoon eerbiedigen, verdedigen en bevorderen, op ieder moment en in
iedere omstandigheid van het leven van een persoon.
82. Om werkelijk
een volk in dienst van het leven te zijn, moeten wij vanaf de eerste
verkondiging van het Evangelie, en later, in de catechese en in de diverse
vormen van verkondiging, in het persoonlijke gesprek en in ieder opvoedingswerk
standvastig en moedig deze waarheden aanbieden. De opvoeders, leraren,
catecheten en theologen hebben de plicht om de antropologische grondslagen naar
voren te brengen waarop het respect voor ieder mensenleven berust. Terwijl wij
het oorspronkelijk nieuwe van het Evangelie van het leven tot stralen brengen,
zullen wij op deze manier allen kunnen helpen om ook in het licht van het
verstand en van de ervaring te ontdekken dat de christelijke boodschap volledig
openbaart wat de mens is en wat de betekenis is van het menselijk zijn en van
zijn bestaan; wij zullen waardevolle ontmoetings- en gesprekspunten, ook met de
niet-gelovigen vinden, daar wij toch allen gezamenlijk verplicht zijn om een
nieuwe cultuur van het leven te laten ontstaan.
Terwijl wij omgeven zijn met stemmen
die elkaar ten diepste tegenspreken, en velen de gezonde leer over het leven
van de mens verwerpen, merken wij dat het verzoek dat Paulus aan Timoteus
richt, ook tot ons gericht is: “Verkondig het woord, dring aan, of men het
horen wil of niet, wijs terecht, berisp, vermaan in onvermoeibare en geduldige
onderrichting”(2Tim 4,2). Deze vermaning moet vooral krachtige weerklank vinden
in het hart van hen die in de Kerk op verschillende manieren deel hebben aan
haar zending als “lerares”van de waarheid. Zij moet vooral bij ons bisschoppen
weerklank vinden: van ons wordt als eersten gevraagd om onvermoeibare
verkondigers van het Evangelie van het leven te zijn. Aan ons is ook de opgave
toevertrouwd om over de betrouwbare en getrouwe weergave van de in deze
encycliek opnieuw uiteengezette leer te waken en de geschiktste maatregelen te
treffen opdat de gelovigen beschermd worden tegen iedere leer die deze
weerspreekt. Bijzondere aandacht moeten wij eraan schenken dat op de
theologische faculteiten, in de priesterseminaries en in de verschillende
katholieke instellingen, de kennis van de gezonde leer verbreid, verklaard en
verdiept wordt 106. Moge de vermaning van Paulus door alle
theologen, door de zielzorgers en door alle anderen gehoord worden, die taken
hebben in de verkondiging, de catechese en de gewetensvorming: mogen zij in het
besef van de hun toebedeelde rol nooit de zwaarwegende verantwoordelijkheid op
zich nemen, dat zij de waarheid en hun eigen opdracht verraden doordat ze
persoonlijke ideeën uitdragen die in tegenspraak zijn met het Evangelie
van het leven zoals het Leergezag dat getrouw voorhoudt en uitlegt.
Bij de verkondiging van dit Evangelie,
mogen wij niet bang zijn voor vijandigheid en impopulariteit, wanneer wij ieder
compromis en iedere tweeduidigheid afwijzen die ons gelijk zou maken aan de
denkwijze van deze wereld (vgl. Rom 12,2). Wij moeten in de wereld maar niet
van de wereld zijn (vgl. Joh 15,19; 17,16), met de kracht die tot ons komt van
Christus, die door zijn dood en verrijzenis de wereld overwonnen heeft (vgl.
Joh 16,33).
|