|
87.
Krachtens onze deelname aan Christus”koninklijke zending moeten de
ondersteuning en de bevordering van het menselijk leven verwerkelijkt worden
door de dienst van de naastenliefde, die in het persoonlijke getuigenis, in de
verschillende vormen van vrijwillige inzet, in het sociale handelen en in het
politieke engagement tot uitdrukking komt. Dat is op dit moment een bijzonder
dringende eis, omdat de “cultuur van de dood”zich met zoveel macht tegen de
“cultuur van het leven”keert en vaak de overhand schijnt te hebben. Daarvoor
ligt echter nog een uitdaging die voorkomt uit het “geloof dat in de liefde
werkzaam is”(Gal 5,6), zoals ons de Jakobusbrief vermaant: “Mijn broeders, wat
voor nut heeft het, wanneer iemand zegt, dat hij het geloof heeft, maar de
werken hem ontbreken? Kan soms het geloof hem redden? Wanneer een broeder of
een zuster zonder kleding is en zonder het dagelijkse brood en
één van u tot hen zegt: “Gaat in vrede, warmt en verzadigt u!”,
maar u geeft hen niet wat zij nodig hebben, wat voor nut heeft dat? Zo is ook
het geloof op zichzelf, wanneer het geen werken kan laten zien, dood”(2,14-17).
Bij de dienst van de naastenliefde moet
een houding ons bezielen en kenmerken: wij moeten voor de ander zorgen als voor
een persoon voor wie God ons verantwoordelijk heeft gemaakt. Als leerlingen van
Jezus worden wij geroepen ons tot naasten van iedere mens te maken (vgl. Lc
10,29-37), en daarbij een bijzondere voorkeur te hebben voor hen die het armste
zijn, het meest alleen en het meest behoeftig. Doordat wij hem die honger
heeft, dorst heeft, de vreemdeling, de naakte, de zieke, de gevangene - zoals
ook het ongeboren kind, de oude mens in zijn lijden of onmiddellijk voor zijn
dood - helpen, mogen wij Jezus dienen zoals Hij zelf gezegd heeft: “Wat ge voor
een van mijn geringste broeders gedaan hebt, dat hebt ge voor Mij gedaan”(Mt
25,40). Daarom moeten wij ons aangesproken voelen en beoordeeld door het altijd
nog actuele woord van de heilige Johannes Chrysostomus: “Wil je eer bewijzen
aan het lichaam van Christus? Ga er niet aan voorbij wanneer het naakt is. Eer
het niet hier in de tempel met zijden stoffen, om het dan buiten, waar het
lijdt onder koude en naaktheid, te negeren”113.
Als het om het leven gaat, moet de dienst
van de naastenliefde ten diepste eenstemmig zijn: ze kan geen eenzijdigheden en
discriminatie dulden, want het menselijk leven is heilig en onaantastbaar in
ieder stadium en in iedere situatie; het is een ondeelbaar goed. We moeten dus
“zorg tonen”voor het hele leven en voor het leven van iedereen. Ja, het gaat
nog dieper: we moeten tot de eigenlijke wortels van het leven en de liefde
gaan.
Het is de diepe liefde voor iedere man
en vrouw die in de loop van de eeuwen een buitengewone geschiedenis van
naastenliefde heeft ontwikkeld, een geschiedenis die in de Kerk en in de
samenleving vele vormen van dienst aan het leven tot stand heeft gebracht, die
de bewondering opwekken van alle onbevooroordeelde waarnemers. Elke
christelijke gemeenschap met een hernieuwd besef van verantwoordelijkheid moet
deze geschiedenis blijven schrijven door allerlei soorten pastorale en sociale
activiteit. Met dit doel moeten voldoende, doelmatige vormen van begeleiding
van het wordende leven in praktijk gebracht worden, waarbij het erom gaat die
moeders in het bijzonder nabij te zijn, die ook zonder de ondersteuning door de
vader niet aarzelen hun kind ter wereld te brengen en op te voeden. Soortgelijke
zorg moet gegeven worden aan het leven van de gemarginaliseerden of de lijdenden,
vooral in zijn laatste stadia.
88. Dit alles
vraagt om geduldig en moedig opvoedingswerk dat erop gericht is allen en ieder
afzonderlijk aan te moedigen om elkaars lasten te dragen (Gal 6,2); het vereist
een voortdurende bevordering van roepingen tot dienstwerk, in het bijzonder
onder de jongeren; het vereist ook de verwezenlijking van concrete,
lange-termijnprojecten en initiatieven, geïnspireerd door het Evangelie.
Veelvoudig zijn de middelen die met
kundigheid en ernstige inzet ontwikkeld moeten worden. T.a.v. het eerste
stadium van het leven moet men centra voor natuurlijke vruchtbaarheidsregeling
bevorderen als een waardevolle hulp bij verantwoordelijk ouderschap, waarbij
alle individuen en in de eerste plaats het kind, erkend en gerespecteerd worden
in hun eigen recht en waar iedere beslissing geleid wordt door het ideaal van
de oprechte zelfgave. Ook adviesbureaus voor huwelijk en gezin bieden door hun
specifieke werk van begeleiding en preventie, uitgevoerd volgens een mensvisie
die overeenkomt met de christelijke visie op de persoon, op het echtpaar en op
de seksualiteit, ook waardevolle hulp bij het ontdekken van de betekenis van
liefde en leven, en bij het ondersteunen en begeleiden van ieder gezin bij zijn
zending als het “heiligdom van het leven”. Het pasgeboren leven wordt ook
gediend door hulpcentra en tehuizen of centra waar het nieuwe leven opgenomen
wordt. Dankzij het werk van zulke centra ontdekken veel ongehuwde moeders en
echtparen in moeilijkheden nieuwe hoop en vinden zij hulp en steun bij het
overwinnen van hun probleem en van de vrees om een pas ontvangen leven of een
leven dat juist ter wereld is gekomen, te aanvaarden.
M.b.t. het leven in een ellendige
toestand, in een situatie van ontsporing, in ziekte en aan de rand van de
maatschappij, zijn andere instrumenten - zoals de gemeenschappen om
drugsverslaafden te behandelen, woongemeenschappen voor minderjarigen of
geestelijk gehandicapten, zorg- en hulpcentra voor AIDS-patiënten,
verenigingen voor solidariteit, in het bijzonder met de gehandicapten -
welsprekende uitdrukking van wat de liefde kan bedenken om aan ieder nieuwe
reden tot hoop en concrete levensmogelijkheden te geven.
Wanneer dan het aardse bestaan ten
einde neigt, is het opnieuw de naastenliefde die de meest gepaste middelen
vindt om de ouderen, vooral hen die niet langer voor zichzelf kunnen zorgen, en
de terminale zieken het mogelijk te maken echt menselijke hulp te genieten en
een gepast antwoord te krijgen op hun noden, vooral hun angst en eenzaamheid. In
deze gevallen is de rol van de familie onvervangbaar; toch kunnen families veel
hulp vinden in bureaus van maatschappelijk werk en, indien nodig, door hun
toevlucht te nemen tot palliatieve zorg, waarbij ze hun voordeel kunnen doen
met geschikte medische en sociale dienstverlening, die in openbare instellingen
of ook aan huis beschikbaar is.
Er moet opnieuw worden nagedacht over
met name de rol van ziekenhuizen, klinieken en verpleeghuizen. Deze zouden niet
louter instellingen moeten zijn waar zorg wordt gegeven voor de zieken of de
stervenden, bovenal zouden het plaatsen moeten zijn waar lijden, pijn en dood
worden herkend en begrepen in hun menselijke en specifiek christelijke
betekenis. Dit moet vooral duidelijk en effectief zijn in instellingen die
bemand worden door religieuzen of die op een of andere manier verbonden zijn
met de Kerk.
89. Deze bureaus
en centra van dienst aan het leven en alle andere initiatieven voor hulp en
solidariteit die de omstandigheden van tijd tot tijd kunnen oproepen, moeten
geleid worden door mensen die edelmoedig zijn in hun inzet en zich volledig
bewust van het belang van het Evangelie van het leven voor het welzijn van
enkelingen en samenleving.
Een unieke verantwoordelijkheid draagt
het personeel in de gezondheidszorg: artsen, apothekers, verplegers en
verpleegsters, zielzorgers, religieuzen, bestuur en vrijwilligers. Hun beroep
maakt hen tot hoeders en dienaars van het menselijk leven. In de huidige
culturele en sociale context, waarin de wetenschap en de praktijk van de
geneeskunde het risico lopen de hun eigen ethische dimensie te verliezen,
kunnen zij soms sterk bekoord worden om tot initiatiefnemers van de manipulatie
met het leven of tot voltrekkers van de dood te worden. In het licht van deze
bekoring is hun verantwoordelijkheid tegenwoordig enorm toegenomen. Haar
diepste inspiratie en haar sterkste steun liggen in de intrinsieke en niet te
ontkennen ethische dimensie van het medisch beroep, iets dat al erkend werd
door de oude en nog steeds belangrijke eed van Hippocrates die van iedere
dokter verlangt dat hij of zij zichzelf verbindt tot absoluut respect voor het
menselijk leven en zijn heiligheid.
Absoluut respect voor ieder onschuldig
mensenleven vereist ook de beroep op gewetensbezwaar tegenover abortus
provocatus en euthanasie. Het “doen sterven”kan nooit beschouwd worden als een
vorm van medische behandeling, zelfs wanneer de bedoeling alleen is om te
voldoen aan het verzoek van de patiënt: integendeel, het gaat volkomen in
tegen het medische beroep, dat zich kenmerkt als een hartstochtelijk en
hardnekkig “ja”tegen het leven. Ook biomedisch onderzoek, een terrein dat grote
beloften voor de mensheid in zich draagt, moet altijd experimenten, onderzoek
of toepassingen afwijzen die de onaantastbare waardigheid van het menselijk
wezen over het hoofd zien en aldus niet langer ten dienste staan van de mensen
en in plaats daarvan worden tot middelen die, onder het mom van hulp aan
mensen, hen in feite schade berokkenen.
90. Vrijwilligers
moeten een bijzondere rol spelen: zij bieden een waardevolle bijdrage aan de
dienst van het leven wanneer zij professionele kundigheid verbinden met
edelmoedige, zelfloze liefde. Het Evangelie van het leven inspireert hen om hun
gevoelens van goede wil tegenover anderen te verheffen tot de hoogte van
Christus”liefde; om iedere dag temidden van hard werk en vermoeidheid het besef
te hernieuwen van de waardigheid van iedere persoon; om de behoeften van de
mensen na te gaan en daarbij, indien nodig, nieuwe wegen uit te zetten waar de
noden groter zijn maar de zorg en de steun zwakker.
Wil naastenliefde realistisch zijn en
doelmatig, dan eist zij dat het Evangelie van het leven ook gediend wordt door
middel van bepaalde vormen van sociale activiteit en politiek engagement, als
een manier om de waarde van het leven in onze steeds ingewikkelder en
pluralistischer maatschappijen te verdedigen. Enkelingen, gezinnen, groepen en
verenigingen hebben, zij het om verschillende redenen en op verschillende manieren,
allemaal een verantwoordelijkheid voor het sociale handelen, voor het
ontwikkelen van culturele, economische, politieke en wetgevende projecten, die,
met respect voor allen en overeenkomstig de democratische beginselen, zullen
bijdragen aan de opbouw van een samenleving waarin de waardigheid van iedere
persoon herkend wordt en beschermd, en de levens van allen worden verdedigd en
gekoesterd.
Deze taak drukt met name op de
verantwoordelijken voor het algemeen belang. Gekozen om het volk en het
algemeen belang te dienen, hebben zij de plicht om moedige keuzes te maken om
het leven te steunen, vooral door wetgevende maatregelen. In een democratisch
systeem, waar wetten en beslissingen gemaakt worden op basis van de consensus
van velen, kan het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid in de gewetens
van individuen die bekleed zijn met gezag, verzwakt zijn. Maar niemand kan ooit
deze verantwoordelijkheid afwijzen, vooral wanneer hij of zij een mandaat heeft
om wetten te maken of beslissingen te nemen; zo”n mandaat roept die persoon
ertoe op om tegenover God, tegenover zijn of haar eigen geweten en tegenover de
hele samenleving zich te verantwoorden voor keuzen die misschien tegen het
algemeen welzijn ingaan. Ofschoon wetten niet de enige middelen zijn om het
menselijk leven te beschermen, spelen zij niettemin een zeer belangrijke en
soms beslissende rol bij het beïnvloeden van denk- en gedragspatronen. Ik
herhaal nog eens dat een wet die het natuurlijke recht op leven van een
onschuldige persoon aantast, onrechtvaardig is en als zodanig niet de waarde
van een wet kan hebben. Daarom doe ik nog eens een dringend appel aan alle
politieke leiders om geen wetten aan te nemen die, doordat zij de waardigheid
van de persoon negeren, de burgerlijke samenleving zelf in de wortel bedreigen.
De Kerk weet, dat het moeilijk is om
een werkzame wettelijke verdediging van het leven in daden oom te zetten in
pluralistische democratien, vanwege de aanwezigheid van sterke culturele
stromingen met verschillende visies. Tegelijkertijd moedigt de Kerk, ervan
overtuigd dat de zedelijke waarheid haar aanwezigheid diep moet doen voelen in
ieder geweten, politieke leiders ertoe aan, te beginnen bij de christenen onder
hen, om niet te wijken, maar om keuzes te maken die, rekening houdend met wat
redelijkerwijs bereikbaar is, zullen leiden tot herstel van een rechtsorde ter
verdediging en bevordering van de waarde van het leven. Hier moet opgemerkt
worden dat het niet genoeg is om onrechtvaardige wetten af te schaffen. De
onderliggende oorzaken van de aanvallen tegen het leven moeten uit de weg
geruimd worden, vooral door de juiste hulp te verzekeren voor gezinnen en voor
het moederschap: een gezinspolitiek moet de basis zijn van en de drijvende
kracht achter alle sociale politiek. Het gaat er dus om, sociale en wetgevende
initiatieven op gang te brengen, die in staat zijn bij de beslissing m.b.t. het
ouderschap voorwaarden van echte vrijheid te garanderen; bovendien is het
noodzakelijk om de arbeidspolitiek, de stadsuitbreidingspolitiek, de woningbouw
en sociale politiek te reorganiseren, opdat de werktijden en het tijdschema van
het gezin op elkaar afgestemd kunnen worden en de verzorging van de kinderen en
van de oude mensen werkelijk mogelijk wordt.
91. Een
belangrijk deel van de politiek voor het leven vormt tegenwoordig het thema van
de bevolkingsgroei. De autoriteiten hebben zeker de verantwoordelijkheid om met
initiatieven “richting te geven aan de demografische ontwikkeling van de
bevolking”114. Maar zulke initiatieven moeten altijd de
eerste en onvervreemdbare verantwoordelijkheid van echtparen en van het gezin
vooropstellen en respecteren en mogen geen methoden gebruiken die de persoon en
zijn grondrechten minachten, te beginnen met het recht op leven van ieder
onschuldig menselijk wezen. Daarom is het moreel onaanvaardbaar om het gebruik
van methoden aan te moedigen, laat staan op te leggen, als contraceptie,
sterilisatie en abortus, om geboorten te regelen. De manieren om het
bevolkingsvraagstuk op te lossen zijn heel anders. Regeringen en de
verschillende internationale bureaus moeten er bovenal naar streven om
economische, sociale, gezondheids- en culturele voorwaarden te scheppen die
echtparen in staat stellen om eigen keuzen te maken t.a.v. de voortplanting, in
volle vrijheid en met echte verantwoordelijkheid. Zij moeten er dan voor zorgen
om “vermeerdering van de middelen”te verzekeren “en een eerlijker verdeling van
de welvaart zodat iedereen gelijkelijk kan delen in de goederen van de
schepping. Oplossingen moeten gezocht worden op wereldniveau door het vestigen
van een economie van gemeenschap en deling van goederen, zowel op nationaal als
op internationaal vlak”115. Dit is de enige manier om de
waardigheid van personen en gezinnen te eerbiedigen, als ook het authentieke
culturele erfgoed van de volken.
De dienst aan het Evangelie van het
leven is aldus een geweldige en ingewikkelde taak. Ze schijnt ons steeds meer
een waardevol en vruchtbaar terrein voor positieve samenwerking met onze
broeders en zusters van andere Kerken en kerkelijke gemeenschappen,
overeenkomstig de praktische oecumene die Vaticanum II gezagvol aanmoedigde
116.
Het schijnt ook een providentieel
terrein voor dialoog en gezamenlijke inspanningen met de volgelingen van andere
godsdiensten en met alle mensen van goede wil. De verdediging en de bevordering
van het leven zijn niet het monopolie van iemand, maar taak en
verantwoordelijkheid van iedereen. Aan de vooravond van het derde millennium
ligt een moeilijke uitdaging voor ons: alleen eendrachtige samenwerking van
allen die geloven in de waarde van het leven, zal een nederlaag van de
beschaving van onvoorstelbare omvang kunnen vermijden.
|