|
103.
De wederzijdse betrekking tussen het mysterie van de Kerk en Maria blijkt
duidelijk uit het “grote teken”dat beschreven staat in het boek van de
Openbaring: “Een groot teken verscheen aan de hemel: een vrouw, bekleed met de
zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf
sterren”(12,1). In dit teken herkent de Kerk een beeld van haar eigen mysterie:
aanwezig in de geschiedenis, weet zij, dat zij de geschiedenis overstijgt,
inzoverre zij op aarde het “zaad en het begin”vormt van het Rijk Gods 139.
De Kerk ziet dit mysterie volledig en voorbeeldig vervuld in Maria. Zij is de
vrouw van heerlijkheid, in wie Gods plan uitgevoerd kon worden met de hoogste
volmaaktheid.
De “vrouw, bekleed met de zon”- vertelt
het Boek van de Openbaring ons - “was zwanger”(12,2). De Kerk beseft ten volle
dat zij in zich de Redder van de wereld draagt, Christus de Heer. Zij beseft
dat zij ertoe geroepen is Christus aan te bieden aan de wereld, en zo aan de
mensen een nieuwe geboorte te geven in Gods eigen leven. Maar de Kerk kan niet
vergeten dat haar zending mogelijk werd gemaakt door het moederschap van Maria,
die Hem ontving en droeg, die is “God uit God”, “ware God uit de ware God”. Maria
is waarlijk de Moeder van God, de Theotokos in wier moederschap de roeping tot
het moederschap die God aan iedere vrouw geeft, wordt verheven tot haar hoogste
niveau. Zo wordt Maria het model van de Kerk, geroepen om de “nieuwe Eva”te zijn,
de moeder van de gelovigen, de moeder van de “levenden”(vgl. Gn 3,20).
Het geestelijk moederschap van de Kerk
wordt alleen maar bereikt - en de Kerk weet dit ook - onder pijnen en
“barensweeën”(Op 12,2), d.w.z. in voortdurende spanning met de krachten van
het kwaad, die nog steeds over de wereld trekken en de mensenharten treffen, en
weerstand bieden aan Christus: “In Hem was leven en het leven was het licht van
de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet
aangenomen”(Joh 1,4-5).
Net als de Kerk moest ook Maria haar
moederschap beleven temidden van lijden: “Dit kind (...) zal een teken zijn,
dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge
worden; en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord”(Lc 2,34-35). De
woorden die Simeon richt tot Maria, helemaal in het begin van het aardse leven
van de Verlosser, vatten beeldend de afwijzing van Jezus en met Hem die van
Maria samen, een afwijzing die haar hoogtepunt zal vinden op Calvarië. “Naast
het kruis van Jezus”(Joh 19,25) wordt Maria deelgenote in de gave die de Zoon
van zichzelf maakt: zij offert Jezus, geeft Hem over, en brengt Hem eens voor
altijd ter wereld voor ons. Het “ja”, gesproken op de dag van de Aankondiging,
bereikt zijn volle rijpheid op de dag van het Kruis, wanneer voor Maria de tijd
komt dat zij, als haar kinderen, al diegenen die leerlingen worden ontvangt en
ter wereld brengt, terwijl zij de reddende liefde van haar Zoon over hen
uitstort: “Toen Jezus zijn moeder zag en de beminde leerling naast haar, zei
Hij tot zijn moeder: “Vrouw, zie daar uw zoon””(Joh 19,26).
|