Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Ioannes Paulus PP. II
Evangelium Vitae

IntraText CT - Text

  • Hoofdstuk II Ik ben gekomen opdat zij leven zouden hebben De christelijke boodschap betreffende het leven
    • “Alwie leeft en gelooft in mij, zal nooit sterven”(Joh 11,26); de gave van het eeuwig leven
Previous - Next

Click here to show the links to concordance

 “Alwie leeft en gelooft in mij, zal nooit sterven”(Joh 11,26); de gave van het eeuwig leven

37. Het leven dat de Zoon van God aan de mensen kwam brengen kan niet worden teruggebracht tot een louter bestaan in de tijd. Het leven dat altijd “in Hem”was, en dat is “het licht van de mensen”(Joh 1,4), bestaat in het verwekt zijn door God en het delen in de volheid van zijn liefde: “Aan allen die Hem opnamen, die geloofden in zijn Naam, gaf Hij de macht om kinderen van God te worden, die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn”(Joh 1,12-13).

Soms verwijst Jezus naar dit leven dat Hij kwam brengen eenvoudig als naar “het leven”; en Hij presenteert het geboren zijn uit God als een noodzakelijke voorwaarde als de mens het doel wil bereiken waarvoor God hem geschapen heeft: “Tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het rijk van God niet zien”(Joh 3,3). Dit leven te geven is het ware doel van Jezus”zending: Hij “is degene die neerdaalt van de hemel en leven geeft aan de wereld”(Joh 6,33), aldus kan Hij naar waarheid zeggen: “Wie mij volgt(...) zal het licht van het leven hebben”(Joh 8,12).

Op andere momenten spreekt Jezus van “eeuwig leven”: hier doet het bijvoeglijk naamwoord meer dan louter een perspectief oproepen dat verder dan de tijd reikt. Het leven dat Jezus belooft en geeft is “eeuwig”, omdat het een volle deelname is aan het leven van de “Eeuwige”. Alwie gelooft in Jezus en in gemeenschap met Hem komt, heeft eeuwig leven (vgl.Joh 3,15; 6,40), omdat hij van Jezus de enige woorden hoort die aan zijn bestaan de volheid van het leven openbaren en meedelen; dit zijn de “woorden van eeuwig leven”die Petrus erkent in zijn geloofsbelijdenis: “Heer, naar wie zouden wij gaan? U hebt woorden van eeuwig leven”; wij hebben geloofd en erkend dat U de Heilige van God bent”(Joh 6,68-69). Wanneer Hij tot de Vader spreekt in het hogepriesterlijk gebed, verklaart Jezus zelf waar het eeuwige leven in bestaat: “Dit is het eeuwige leven: dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus”(Joh 17,3). God en zijn Zoon kennen is het mysterie aanvaarden van de liefhebbende gemeenschap van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in zijn eigen leven, dat nu reeds openstaat naar het eeuwig leven omdat het deelt in het leven van God.

38. Het eeuwig leven is daarom het leven van God zelf en tegelijk het leven van de kinderen van God. Wanneer zij zich verbazen over deze onverwachte en onuitsprekelijke waarheid die tot ons komt van God in Christus, moeten gelovigen wel steeds opnieuw verbaasd zijn en grenzeloos dankbaar. In de woorden van de apostel Johannes kunnen zij zeggen: “Zie, welke liefde de Vader ons gegeven heeft! Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook!(...) Dierbaren, nu reeds zijn wij kinderen van God, en wat we zullen zijn, is nog niet geopenbaard. Maar wij weten dat, wanneer Hij verschijnt, wij als Hij zullen zijn, want wij zullen Hem zien zoals Hij is”(1 Joh 3,1-2).

Hier bereikt de christelijke waarheid omtrent het leven het hoogtepunt. De waardigheid van dit leven wordt niet alleen verbonden met zijn begin, met het feit dat het van God komt, maar ook met zijn eind, met zijn bestemming van gemeenschap met God in kennis van en liefde voor Hem. In het licht van deze waarheid preciseert en voltooit de H.Ireneüs zijn lofprijzing van de mens: “de glorie van God”, is, inderdaad, “de levende mens”, maar “het leven van de mens bestaat in het zien van God”27.

Onmiddellijke gevolgen komen hieruit voort voor het menselijk leven in zijn aardse staat, waarin trouwens het eeuwig leven reeds ontkiemt en begint te groeien. Ofschoon de mens instinctief houdt van het leven, omdat het een goed is, zal deze liefde verdere inspiratie en kracht vinden en nieuwe breedte en diepte in de goddelijke dimensies van dit goed. Op dezelfde wijze kan de liefde die ieder menselijk wezen heeft voor het leven, niet zo maar herleid worden tot een wens om genoeg ruimte te hebben voor zelfontplooiing en voor het aangaan van relaties met anderen. Zij ontwikkelt zich eerder in een vreugdevol besef dat het leven de “plaats”kan worden waar God zichzelf toont, waar we Hem ontmoeten en waar wij in gemeenschap met Hem komen. Het leven dat Jezus geeft vermindert in geen enkel opzicht de waarde van ons bestaan in de tijd; het neemt het op en richt het op zijn uiteindelijke bestemming: “Ik ben de verrijzenis en het leven(...); wie leeft en gelooft in Mij zal nooit sterven”(Joh 11,25.26).




27 “Vita autem hominis visio Dei”: Tegen de ketterijen, IV, 20, 7: SCh 100/2, 648-649.






Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License