| Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library |
| Ioannes Paulus PP. II Evangelium Vitae IntraText CT - Text |
|
|
|
“Van de mens zal ik rekenschap vragen over zijn medemens”(Gn 9,5): verering en liefde voor ieder menselijk leven39. Het leven van de mens komt van God; het is zijn gave, zijn beeld en evenbeeld, een delen in zijn levensadem. God is, daarom, de enige Heer van dit leven: de mens kan er niet mee doen zoals hij wil. God zelf maakt dit duidelijk aan Noach na de zondvloed: “Ook uw eigen bloed zal ik terugeisen, en ook van de mensen onderling, zal ik het leven van de mens terugeisen”(Gn 9,5). De bijbelse tekst onderstreept nadrukkelijk hoe de heiligheid van het leven haar basis heeft in God en in zijn scheppende activiteit: “Want God heeft de mens gemaakt naar zijn beeld”(Gn 9,6). Het leven en de dood van de mens zijn dus in de handen van God, in zijn macht: “In zijn hand is het leven van ieder levend ding en de adem van heel de mensheid”, roept Job uit (12,10). “De Heer brengt ter dood en brengt tot leven, Hij brengt tot diep in de hel en doet opstaan”(1Sam 2,6). Hij alleen kan zeggen: “Ik ben het die zowel de dood als het leven breng”(Dt 32,39). Maar God oefent deze macht niet uit op een willekeurige en dreigende wijze, maar eerder als deel van zijn zorg voor en zijn liefdevolle bekommernis met zijn schepselen. Als het waar is dat het menselijk leven in de handen is van God, dan is het niet minder waar dat dit liefdevolle handen zijn, zoals die van een moeder die haar kind opneemt, voedt en verzorgt: “Ik liet mijn ziel bedaren en verstillen, zoals een kind aan de borst van zijn moeder, zoals een kind bij zijn moeder is mijn ziel”(Ps 131,2; vgl.Js 49,15; 66,12-13; Hos 11,4). Zo ziet Israël in de geschiedenis van de volken en in de bestemming van enkelingen niet de afloop van louter toeval of van een blind lot, maar liever de resultaten van een liefdevol plan, waarmee God alle mogelijkheden van het leven samenbrengt en de krachten van de dood die voortkomen uit de zonde, bestrijdt: “God heeft de dood niet gemaakt en Hij verheugt zich niet over de dood van de levenden. Want Hij schiep alle dingen opdat zij zouden bestaan”(W 1,13-14). 40. Uit de heiligheid van het leven ontstaat zijn onschendbaarheid, die vanaf het begin in het mensenhart geschreven staat, in zijn geweten. De vraag “Wat heb je gedaan?”(Gn 4,10), die God aan Kaïn stelt, nadat hij zijn broer Abel heeft gedood, vertolkt de ervaring van iedere persoon: in de diepten van zijn geweten wordt de mens altijd herinnerd aan de onaantastbaarheid van het leven - zijn eigen leven en dat van anderen - als iets dat niet van hem is, omdat het eigendom en gave is van God de Schepper en Vader. Het gebod betreffende de onaantastbaarheid van het menselijk leven weerklinkt in het hart van de “tien woorden”in het Verbond van de Sinaï (vgl.Ex 34,28). Op de eerste plaats verbiedt dat gebod moord: “Gij zult niet doden”(Ex 20,13); “Gij zult geen onschuldigen en rechtvaardigen doden”(Ex 23,7); maar - zoals nader is uitgewerkt in Israëls latere wetgeving - verbiedt het ook iedere persoonlijke verwonding van iemand anders (vgl.Ex 21,12-27). Natuurlijk moeten we erkennen dat in het Oude Testament deze betekenis van de waarde van het leven, ofschoon reeds zeer duidelijk aangegeven, nog niet de verfijning bereikt die men vindt in de Bergrede. Dat blijkt uit sommige aspecten van de toenmalige strafwet, die ernstige vormen van lijfstraffen en zelfs de doodstraf kende. Maar de alles omvattende boodschap, die het Nieuwe Testament tot volmaaktheid zal brengen, is een krachtig appel tot eerbied voor de onaantastbaarheid van het fysieke leven en de integriteit van de persoon. Het vindt zijn hoogtepunt in het positieve gebod, dat ons verplicht om verantwoordelijk te zijn voor onze naaste als voor onszelf: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”(Lv 19,18). 41. Het gebod “Gij zult niet doden”, ingesloten en vollediger uitgedrukt in het positieve gebod van liefde voor de naaste, wordt herbevestigd in al zijn kracht door de Heer Jezus. Tot de rijke jongeman die Hem vraagt: “Rabbi, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?”, antwoordt Hij: “Als je het leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden”(Mt 19,16.17). En Hij haalt als eerste van deze geboden aan: “Gij zult niet doden”. In de Bergrede vraagt Jezus van zijn leerlingen een gerechtigheid die die van de schriftgeleerden en farizeers overstijgt, ook m.b.t. de eerbied voor het leven: “Gij hebt gehoord dat er gezegd werd tot de ouden: Gij zult niet doden; en alwie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar ik zeg u, dat alwie vertoornd is op zijn broeder, strafbaar zal zijn voor het gerecht”(Mt 5,21-22). Door zijn woorden en daden laat Jezus verder de positieve vereisten zien van het gebod dat betrekking heeft op de onaantastbaarheid van het leven. Deze vereisten waren reeds aanwezig in het Oude Testament, waar de wetgeving de bescherming en verdediging van het leven behandelde wanneer dat zwak en bedreigd was: in het geval van vreemdelingen, weduwen, wezen, de zieken en de armen in het algemeen, inclusief de kinderen in de moederschoot (vgl.Ex 21,22; 22,20-26). Met Jezus krijgen deze positieve vereisten nieuwe kracht en nieuwe urgentie en worden zij geopenbaard in al hun breedte en diepte. Ze gaan van de zorg voor het leven van zijn broeder (een natuurlijke broer, iemand die tot hetzelfde volk hoort, of een vreemde die in het land van Israël leeft) tot het tonen van bekommernis met de vreemdeling, zelfs tot het beminnen van de vijand. Een vreemdeling is niet langer een vreemdeling voor de persoon die de naaste moet worden van iemand in nood, zo, dat deze verantwoordelijkheid aanvaardt voor zijn leven, zoals de parabel van de barmhartige Samaritaan zo duidelijk laat zien (vgl.Lc 10,25-37). Zelfs een vijand houdt op een vijand te zijn voor degene die verplicht is hem te beminnen (vgl.Mt 5,38-48; Lc 6,27-35), hem “goed te doen”(vgl.Lc 6,27.33.35), en zijn onmiddellijke behoeften direct, en zonder terugbetaling te verwachten, te beantwoorden (vgl.Lc 6,34-35). De hoogste graad van deze liefde is te bidden voor zijn vijand: daardoor bereiken we overeenstemming met de providentiële liefde van God: “Maar Ik zeg u: bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat u kinderen bent van uw hemelse Vader: want Hij laat de zon opgaan over slechten en goeden en doet het regenen over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen”(Mt 5,44-45; vgl.Lc 6,28.35). Zo is het diepste element van Gods gebod om het menselijk leven te beschermen de eis tot eerbied en liefde voor iedere persoon en voor zijn leven. Dit is de leer die de Apostel Paulus, in een herhaling van de woorden van Jezus, tot de christenen in Rome richt: “De geboden: “Gij zult niet echtbreken, niet doden, niet stelen, niet begeren”en alle andere kan men samenvatten in deze zin: “Bemin uw naaste als uzelf”. Liefde doet de naaste geen kwaad; liefde vervult de hele wet”(Rom 13,9-10). |
Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library |
Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License |