| Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library |
| Ioannes Paulus PP. II Evangelium Vitae IntraText CT - Text |
|
|
|
“Gij hebt mijn binnenste gevormd”(Ps 139,13): de waardigheid van het ongeboren kind44. Het menselijke leven is het meest kwetsbaar wanneer het in de wereld komt en wanneer het uit de tijd weggaat om zich naar de eeuwigheid te begeven. Het woord van God herhaalt vaak de oproep om zorg en eerbied te tonen, bovenal wanneer het leven ondermijnd wordt door ziekte en ouderdom. Er zijn geen directe en uitdrukkelijke oproepen om het menselijk leven te beschermen vanaf het eerste begin, speciaal het nog niet geboren leven, en het leven dat ten einde gaat: maar dit kan men gemakkelijk verklaren uit het feit dat zelfs maar de mogelijkheid om het leven in deze omstandigheden te kwetsen, aan te vallen of zelfs te ontkennen volkomen vreemd is aan de godsdienstige en culturele denkwijze van het Volk van God. In het Oude Testament wordt onvruchtbaarheid gevreesd als een vloek, terwijl een talrijk nageslacht beschouwd wordt als een zegen: “Zonen zijn een gave van de Heer, de vrucht van de schoot een genade”(Ps 127,3;vgl.Ps 128,3-4). Dit geloof stoelt ook op Israëls besef het volk van het Verbond te zijn, geroepen tot groei overeenkomstig de belofte aan Abraham: “Kijk naar de hemel, en tel de sterren, als u dat kunt(...)zo zal uw nageslacht zijn”(Gn 15,5). Maar meer dan iets anders werkt hier de zekerheid dat het leven dat de ouders doorgeven zijn oorsprong vindt in God. Hiervan getuigen de vele bijbelse passages die vol respect en liefde spreken over de ontvangenis, de vorming van het leven in de moederschoot, de geboorte en de intieme band tussen het beginmoment van het leven en het werk van God de Schepper. “Vóór Ik je vormde in de moederschoot kende Ik jou en vóór je geboren werd wijdde Ik je aan Mij toe”(Jr 1,5): het leven van ieder individu is, vanaf zijn eerste begin, deel van Gods plan. Job houdt in de diepte van zijn pijn in, om het werk van God te overdenken die zijn lichaam wonderlijk vormde in de schoot van zijn moeder. Hier vindt hij reden om vertrouwen te hebben, en hij spreekt zijn geloof uit dat er een goddelijk plan is voor zijn leven: “U hebt mij gevormd en gemaakt; zult U zich dan afwenden en mij vernietigen? Bedenk dat U mij gevormd hebt uit klei; en zult U mij tot stof doen weerkeren? Hebt U mij niet gezeefd als melk en doen stremmen als kaas? U hebt me bekleed met huid en vlees, mij met botten en spieren ineengezet. U hebt me het leven gegund, en bestendige liefde; en uw zorg heeft mijn geest behoed”(Job 10,8-12). Uitdrukking van ontzag en verbazing over Gods tussenkomst in het leven van een kind in de moederschoot komen telkens weer voor in de Psalmen 35. Hoe kan iemand menen dat zelfs maar één moment in dit wonderlijke proces van de ontplooiing van het leven gescheiden zou kunnen worden van het wijze en liefdevolle werk van de Schepper, ten prooi aan menselijke willekeur? De moeder van de zeven broers dacht zeker niet zo: zij beleed haar geloof in God, bron en garantie van het leven vanaf de conceptie zelf, en tegelijkertijd de grondslag van de hoop op nieuw leven na de dood: “Ik weet niet hoe jullie in mijn schoot gevormd zijn; niet ik heb jullie de levensadem geschonken, niet ik heb de bestanddelen waaruit ieder van jullie bestaat, tot een harmonisch geheel geordend, maar de Schepper van de wereld: Hij bewerkt het ontstaan van de mens, zoals Hij van alles de oorsprong is. Hij zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven, omdat jullie omwille van zijn wet jezelf nu niet spaart”(2Mak 7,22-23). 45. De openbaring van het Nieuwe Testament bevestigt de onbetwistbare erkenning van de waarde van het leven vanaf zijn eerste begin. De verheerlijking van de vruchtbaarheid en de gretige verwachting van het leven klinken door in de woorden waarmee Elizabeth zich verheugt over haar zwangerschap: “De Heer(...)heeft zich verwaardigd mijn schande weg te nemen”(Lc 1,25). Meer nog wordt de waarde van de persoon vanaf het moment van de ontvangenis verheerlijkt in de ontmoeting tussen de Maagd Maria en Elizabeth, en tussen de twee kinderen die zij dragen in hun schoot. Juist de kinderen openbaren de komst van het Messiaanse tijdperk: in hun ontmoeting wordt de verlossende kracht van de aanwezigheid van de Zoon van God onder de mensen voor het eerst werkzaam. De H. Ambrosius schrijft: “De zegeningen van de komst van Maria en van de aanwezigheid van de Heer zijn meteen te merken (...) Elisabeth hoorde als eerste de stem, maar Johannes ervoer het eerste de genade; zij hoorde volgens de natuurlijke orde, hij sprong op vanwege het mysterie; zij merkte de komst van Maria, hij die van de Heer; de vrouw de komst van de vrouw, het kind de komst van het Kind. De vrouwen spreken over de ontvangen genade; de kinderen verwerkelijken in de schoot van hun moeder de genade en het mysterie van de barmhartigheid voor hun moeders zelf: en door een dubbel wonder profeteren zij onder de inspiratie van hun kinderen. Het kind sprong op van vreugde, de moeder werd vervuld van de heilige Geest. De moeder was niet vervuld vóór de zoon, maar nadat de zoon was vervuld met de heilige Geest, vervulde hij zijn moeder ook met Hem”36. |
35 Zie bijvoorbeeld Psalm 22,10-11; 71,6; 139,13-14. 36 Expositio Evangelii secundum Lucam, II, 22-23: CCL 14, 40-41. |
Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library |
Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License |