Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Ioannes Paulus PP. II
Evangelium Vitae

IntraText CT - Text

  • Hoofdstuk II Ik ben gekomen opdat zij leven zouden hebben De christelijke boodschap betreffende het leven
    • “Ik heb geloofd ook toen ik zei: “Al te zeer ben ik getroffen”(Ps 116,10): leven in ouderdom en lijden
Previous - Next

Click here to show the links to concordance

 “Ik heb geloofd ook toen ik zei: “Al te zeer ben ik getroffen”(Ps 116,10): leven in ouderdom en lijden

46. Ook t.a.v. de laatste ogenblikken van het leven zou het anachronistisch zijn om van de bijbelse openbaring een expliciete verwijzing te verwachten naar de huidige problematiek betreffende het respect voor ouderen en zieken, of een specifieke veroordeling van pogingen om hun einde met geweld te verhaasten. De culturele en religieuze context van de Bijbel wordt op geen enkele wijze door dergelijke bekoringen beroerd: integendeel, in die context worden de wijsheid en ervaring van de ouderen erkend als een onvervangbare rijkdom voor de familie en de samenleving.

De ouderdom wordt gekenmerkt door aanzien en omgeven met ontzag (vgl.2Mak 6,23). De rechtvaardige vraagt niet om verlossing van de ouderdom en haar last: zijn gebed is integendeel: “U, o Heer, bent mij hoop, mijn vertrouwen, o Heer, vanaf mijn jeugd (...) en nu, in mijn ouderdom en grijsheid, God, verlaat mij niet, opdat ik uw macht verkondig, aan alle komende geslachten uw wonderen”(Ps 71,5.18). Het ideaal van de Messiaanse tijd wordt voorgesteld als een tijd waarin “niet meer zal zijn (...) een grijsaard die zijn dagen niet voltooit”(Js 65,20).

Hoe moet men in de ouderdom tegenover de onvermijdelijke neergang van het leven staan? Hoe moet men handelen in het zicht van de dood? De gelovige weet dat zijn leven in Gods hand ligt: “Heer, in uw handen is mijn leven”(vgl.Ps 16,5), en hij aanvaardt van Hem ook het sterven: “Dit is het bevel van de Heer voor alle vlees; waarom zich keren tegen de wil van de Allerhoogste?”(Sir 41,3-4). De mens is niet baas over het leven, evenmin over de dood. In leven en dood moet hij zich helemaal toevertrouwen aan de “wil van de Allerhoogste”, aan zijn liefdevolle plan.

Ook in momenten van ziekte wordt de mens uitgenodigd om hetzelfde vertrouwen in de Heer te hebben en om zijn fundamentele geloof te hernieuwen in Hem die “alle ziekten geneest”(vgl.Ps 103,3). Wanneer alle hoop op gezondheid voor zijn ogen schijnt te verdwijnen - zodat hij uitroept: “Mijn dagen zijn als een schaduw in de avond; ik verdor als het gras (Ps 102,11)- zelfs dan wordt de gelovige bezield door een onwankelbaar geloof in Gods levenschenkende macht. Ziekte drijft zo”n mens niet tot wanhoop en doodsverlangen, maar doet hem hoopvol uitroepen: “Ik heb geloofd ook toen ik zei: “Al te zeer ben ik getroffen”(Ps 116,10); “Ik heb, Heer, mijn God, tot U in nood geroepen: Gij hebt mij nieuw gemaakt. Jahwe, Gij deed mij verrijzen uit de doden; of Gij mij hadt herschapen ben ik het graf ontgaan”(Ps 30,3-4).

47. De zending van Jezus, met de vele genezingen die Hij deed, toont ook Gods grote bekommernis met het lichamelijk leven van de mens. Jezus werd, als “de dokter van het lichaam en de geest”37 door de Vader gezonden om het goede nieuws te brengen aan de armen en om de gebroken harten te helen (vgl.Lc 4,18; Js 61,1). Later, wanneer Hij zijn leerlingen de wereld instuurt, geeft Hij hun een zending, waarin zieken genezen hand in hand gaat met de verkondiging van het Evangelie: “En gaat op weg en verkondigt dat het rijk der hemelen nabij is. Geneest de zieken, wekt de doden op, reinigt de melaatsen en drijft de duivels uit”(Mt 6,13;16,18).

Zeker is het leven van het lichaam in zijn aardse staat geen absoluut goed voor de gelovige, vooral waar hem gevraagd wordt zijn leven op te geven voor een groter goed. Zoals Jezus zegt: “Alwie zijn leven wil redden zal het verliezen; en alwie zijn leven verliest om Mijnentwil en omwille van het Evangelie, zal het redden”(Mc 8,35). Het Nieuwe Testament geeft hiervan verschillende voorbeelden. Jezus aarzelt niet zichzelf te offeren en Hij maakt van zijn leven vrijelijk een offer aan de Vader (vgl.Joh 10,17) en aan de zijnen (vgl.Joh 10,15). De dood van Johannes de Doper, voorloper van de Verlosser, getuigt ook dat het aards bestaan niet een absoluut goed is; belangrijker is het om trouw te blijven aan het woord van de Heer zelf met gevaar voor eigen leven (Mc 6,17-29). Stefanus verliest zijn aardse leven omdat hij trouw getuigt van de verrijzenis van de Heer: hij volgt in de voetstappen van de Meester en treedt hen die hem stenigen tegemoet met woorden van vergeving (vgl.Hnd 7,59-60) en wordt zo de eerste van een ontelbare schare martelaren die de Kerk heeft vereerd vanaf haar eerste begin.

Niemand kan echter naar willekeur kiezen tussen leven of sterven; de absolute meester van zo”n beslissing is de Schepper alleen, in wie “wij leven en bewegen en bestaan”(Hnd 17,28).




37 SINT IGNATIUS VAN ANTIOCHIË, Brief aan de Efesiërs, 7,2; Patres Apostolici, uitg. F.X. FUNK, II, 82.






Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License