Chapter,Paragraph,Number
1 Inl, 0,4 | mee te doen in dit gebed. Mogen u allen met mij bidden voor
2 I, 1,6 | Hem geloven, dat zij één mogen zijn, een levende gemeenschap.
3 I, 2,9 | gebeden, dat "allen één mogen zijn" (Joh 17,21). Deze
4 I, 2,9 | van Christus "dat zij één mogen zijn" zijn zo zijn gebed
5 I, 5,21 | we uit die bron de kracht mogen putten om gemeenschap op
6 I, 5,26 | Vader bidt, dat ‘allen één mogen zijn (...) zoals Wij één
7 II, 8,57 | door Gods genade gelovig mogen aanvaarden. Door het doopsel
8 II, 8,57 | van de goddelijke liefde. Mogen we niet aannemen, dat daaruit
9 II, 10,63 | dat we rederlijkerwijze mogen hopen samen de oplossing
10 III, 2,80| bereikte resultaten. Zij mogen niet slechts de verklaringen
11 III, 5,94| verder met de aansporing: "Mogen alle herders zo één zijn
12 III, 5,94| één zijn in de ene Herder; mogen zij de ene stem van de Herder
13 III, 5,94| van de Herder laten horen; mogen de schapen deze stem horen
14 III, 5,94| gene herder, maar de ene; mogen zij allen één stem in Hem
15 III, 5,94| gezuiverd van alle ketterij, mogen de schapen die horen".151
16 III, 5,96| bede "dat zij allen één mogen zijn (...) opdat de wereld
17 III, 7,98| leidend motief dient - "mogen ook zij één zijn, opdat
|