Chapter,Paragraph,Number
1 Inl, 0,1 | verdeeld kunnen blijven. Als zij echt en daadwerkelijk de
2 Inl, 0,1 | wensen te weerstaan, moeten zij samen dezelfde waarheid
3 Inl, 0,1 | zijn nieuwe leven heeft. Zij beweert dat het Kruis noch
4 Inl, 0,2 | aan de gelovigen stelt. Zij moeten deze uitdaging wel
5 Inl, 0,2 | aangaan. Zeker, hoe zouden zij kunnen weigeren, al het
6 Inl, 0,2 | blijft oproepen. Allen worden zij uitgenodigd door de steeds
7 Inl, 0,3 | van de Verlosser. Omdat zij zich voortdurend opgeroepen
8 Inl, 0,3 | overeenkomstig het Evangelie, houdt zij niet op om boete te doen.
9 Inl, 0,3 | Tegelijkertijd erkent en prijst zij echter nog meer de macht
10 Inl, 0,3 | diepte te beleven. Omdat zij zich ervan bewust is dat
11 Inl, 0,3 | geest binnendringt"2, zoekt zij niets anders voor zichzelf
12 Inl, 0,3 | Evangelie te verkondigen. Zij oefent haar gezag inderdaad
13 Inl, 0,3 | ogenblik in het zicht waarvan zij de Heer vraagt dat de eenheid
14 Inl, 0,4 | sterke en eeuwige rots waarop zij gevestigd is, is Jezus Christus,
15 I, 1,5 | Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. De
16 I, 1,6 | die in Hem geloven, dat zij één mogen zijn, een levende
17 I, 1,6 | bedoeling van Christus; zij is ook een ergernis voor
18 I, 2,7 | als hun Heer en Verlosser; zij doen dit niet slechts individueel
19 I, 2,7 | de gemeenschappen, waarin zij het Evangelie hebben vernomen
20 I, 2,7 | Evangelie hebben vernomen en die zij ieder voor zich waarderen
21 I, 2,7 | Toch verlangen bijna allen, zij het niet op dezelfde wijze,
22 I, 2,9 | gelovigen zijn één, omdat zij in de Geest in gemeenschap
23 I, 2,9 | woorden van Christus "dat zij één mogen zijn" zijn zo
24 I, 2,10 | zijn dus, ook al hebben zij vanuit onze geloofsovertuiging
25 I, 2,11 | bevestigt de katholieke Kerk dat zij in haar tweeduizendjarige
26 I, 2,11 | dat dankzij de hulp die zij van de heilige Geest ontvangt,
27 I, 2,11 | Concilie van een zekere, zij het ook onvolkomen gemeenschap.
28 I, 2,11 | katholieke Kerk "erkent dat zij op verschillende wijzen
29 I, 2,13 | verklaart het: "Toch worden zij die uit het geloof in het
30 I, 2,13 | gerechtvaardigd in Christus ingelijfd. Zij voeren daarom met recht
31 I, 2,13 | de katholieke Kerk worden zij terecht als broeders in
32 I, 2,13 | genade voortbrengen en moeten zij geschikt geacht worden om
33 I, 2,14 | naar eenheid in zich, daar zij hun volheid in die eenheid
34 I, 3,15 | zorg voor de oecumene; en zij worden ertoe opgeroepen
35 I, 3,16 | onafgebroken hervorming, die zij als menselijke en aardse
36 I, 3,16 | ertoe zich af te vragen of zij werkelijk op geschikte wijze
37 I, 3,17 | en voor de bekering die zij moet opwekken, noodzakelijk
38 I, 3,17 | dubbele invalshoek belangrijk: zij tonen de reeds bereikte
39 I, 3,17 | vervullen met hoop omdat zij een zekere basis vormen
40 I, 3,17 | oecumene. Anderzijds is zij ook een fundamentele garantie
41 I, 4,18 | het valse voorwendsel dat zij vandaag niet langer zouden
42 I, 4,19 | historische ervaringen en ideeën. Zij wilden het ene Woord van
43 I, 4,19 | van iedere beschaving".34 Zij erkenden dat zij daarom
44 I, 4,19 | beschaving".34 Zij erkenden dat zij daarom niet "ook de ontegenzeglijk
45 I, 4,19 | konden) opleggen, waarin zij waren opgegroeid"35 Zo brachten
46 I, 4,19 | opgegroeid"35 Zo brachten zij die "volmaakte gemeenschap
47 I, 4,20 | van de Kerk. Integendeel, zij hoort organisch tot het
48 I, 4,20 | christengelovigen eraan denken dat zij de eenheid onder de christenen
49 I, 4,20 | zelfs beoefenen, naarmate zij zuiverder volgens het Evangelie
50 I, 4,20 | en gemakkelijker zullen zij de onderlinge broederliefde
51 I, 5,22 | verbindt, gering is. Wanneer zij elkaar steeds vaker en ijveriger
52 I, 5,22 | ontmoeten in het gebed, zullen zij moed kunnen scheppen om
53 I, 5,26 | uitdrukking. Juist omdat zij van elkaar gescheiden zijn
54 I, 5,26 | gescheiden zijn verenigen zij zich met des te grotere
55 I, 5,26 | in Christus en vertrouwen zij aan Hem de toekomst van
56 I, 5,27 | evangelie van Sint Jan, en zij offerde haar leven voor
57 I, 5,27(50)| 21-jarige leeftijd trad zij in in het trappistinnenklooster
58 I, 5,27(50)| Abbé Paul Couturier kwam zij tot het inzicht dat er gebed
59 I, 5,27(50)| christenen. In 1936 besloot zij, n.a.v. het Gebedsoctaaf
60 I, 6,29 | verwijst naar de maatstaven die zij moet aanhouden in de relatie
61 I, 7,32 | en geoorloofd is, komen zij in een gemeenschappelijk
62 I, 8,33 | Tegelijkertijd verlangt zij dat het geweten van de christenen,
63 I, 9,36 | theologen moeten, wanneer zij bij alle gehechtheid aan
64 I, 9,37 | presenteren of vergelijken: "Zij moeten bedenken dat er in
65 I, 9,38 | voordelen van de oecumene is dat zij de christelijke Gemeenschappen
66 I, 10,40 | geloven gemakkelijk leren, hoe zij onderling tot een beter
67 II, 1,42 | van een vage familiegeest. Zij heeft haar wortels in de
68 II, 2,43 | betreffen. Daardoor zijn zij in een dragend element van
69 II, 2,43 | de wil van God, waarbij zij de autoriteiten en de burgers
70 II, 3,45 | Gemeenschappen in het Westen vast dat zij in essentie overeenstemmen.
71 II, 3,46 | de katholieken, wanneer zij die sacramenten willen ontvangen,
72 II, 3,46 | die Kerken richten waarin zij geldig worden toegediend.
73 II, 5,49 | de geloofselementen die zij gemeenschappelijk hebben.
74 II, 5,49 | Kerk van Christus vormen zij naar hun aard een kracht
75 II, 6,50 | de eucharistie, waardoor zij met ons nog steeds in zeer
76 II, 6,50 | de katholieke Kerk. Laten zij de nodige aandacht schenken
77 II, 6,50 | Rome bestonden en laten zij zich een juist oordeel over
78 II, 6,51 | was ook inspirerend, omdat zij ons al voortgaande de broederschap
79 II, 7,52 | herstel van de eenheid die zij deelden in het eerste millennium. ~
80 II, 7,52 | het oog op de functie die zij krachtens hun roeping moeten
81 II, 7,53 | Christus ten einde loopt moeten zij gezamenlijk als patronen
82 II, 8,55 | werd. In zekere zin dient zij nu als een soort model. "
83 II, 8,57 | van deze werkelijkheid en zij moet ons herkenningspunt
84 II, 8,58 | gedragsregel toegepast en zij doet dat nu nog door deelneming
85 II, 9,59 | uitdrukking vinden. Doordat zij zich baseerde op alles wat
86 II, 9,59 | essentiële vooruitgang boeken; en zij was tenslotte in staat,
87 II, 9,60 | volle gemeenschap leven, en zij verklaart, dat geheel dit
88 II, 11,65 | vinden in de Hervorming. Zij delen dan ook het feit dat
89 II, 11,66 | de heilige Geest zoeken zij in de Heilige Schrift naar
90 II, 11,66 | geworden. Daarin overwegen zij het leven van Christus en
91 II, 11,66 | dood en verrijzenis (...) Zij aanvaarden het goddelijk
92 II, 11,66 | Tegelijkertijd echter "denken zij anders dan wij (...) over
93 II, 11,67 | missen, stelt het vast, dat "zij vooral door het ontbreken
94 II, 11,67 | bewaard hebben", hoewel zij "wanneer zij bij het heilig
95 II, 11,67 | hebben", hoewel zij "wanneer zij bij het heilig Avondmaal
96 II, 11,67 | wordt gebracht en verwachten zij zijn glorievolle wederkomst".121 ~
97 II, 11,68 | aanhoren van het woord van God. Zij openbaart zich in persoonlijk
98 II, 11,68 | van de gemeente, wanneer zij samenkomt om God te prijzen.
99 II, 11,70 | van gelovigen verlangt dat zij elkaar vragen stellen met
100 II, 12,72 | bisschoppen de celebrant. Zij wilden, door middel van
101 II, 12,72 | eucharistie deel te nemen, en zij wensten de zegen van de
102 II, 12,73 | eenheid ten doel hebben. Zij hebben een stimulerend effect
103 II, 13,74 | kunsten aanwezig te doen zijn. Zij treden steeds vaker gezamenlijk
104 II, 13,75 | geloven gemakkelijk leren, hoe zij onderling tot een beter
105 II, 13,76 | door het vredesvraagstuk. Zij zien het in nauwe verbinding
106 III, 2,80 | reeds bereikte resultaten. Zij mogen niet slechts de verklaringen
107 III, 2,81 | theologische faculteiten: zij worden opgeroepen om die
108 III, 3,82 | hervorming van de Kerk, voorzover zij ook een menselijke en aardse
109 III, 3,82 | om zich af te vragen of zij trouw zijn geweest aan zijn
110 III, 3,83 | aan de Vader bewaard dat zij konden gaan tot het vergieten
111 III, 3,84 | eis van het geloof, die zij lieten zien in het offer
112 III, 3,84 | kracht van de genade, zijn zij niet de enigen die getuigenis
113 III, 3,84 | tussen onze gemeenschappen, zij het nog onvolledig, werkelijk
114 III, 3,84 | hebben bewaard en waardoor zij gevormd zijn, maar eerst
115 III, 4,87 | zelfs van de manier waarop zij die hebben benadrukt en
116 III, 5,88 | Kerk zich ervan bewust dat zij het ambt van de Opvolger
117 III, 5,88 | van de katholieke Kerk dat zij in het ambt van de bisschop
118 III, 5,94 | in de ene Herder; mogen zij de ene stem van de Herder
119 III, 5,94 | herder, maar de ene; mogen zij allen één stem in Hem laten
120 III, 5,95 | van Christus is, scheidt zij dit ambt niet van de zending
121 III, 5,95 | hoort tot hun "College", en zij zijn zijn broeders in het
122 III, 5,96 | beroeren door zijn bede "dat zij allen één mogen zijn (...)
123 III, 6,97 | Kerk blijven bestaan opdat zij onder het enige Hoofd, dat
124 III, 7,98 | motief dient - "mogen ook zij één zijn, opdat de wereld
125 III, 7,98 | dan is het ook waar dat zij de moeilijkheden moet aanvatten
126 III, 7,98 | allen op Christus, zullen zij dan in staat zijn om de
127 Aans, 0,102 | nieuwe millennium, vraagt zij de Geest om de genade, haar
128 Aans, 0,102 | plaats innemen. ~Hoe kan zij deze genade verkrijgen?
129 Aans, 0,102 | wij nodig hebben. ~Hoe kan zij deze genade verkrijgen?
130 Aans, 0,103 | gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen" (2Kor 13,11.
|