48. De
betrekkingen die de leden van de katholieke Kerk sinds het Concilie met de
andere christenen zijn aangegaan, hebben geleid tot de ontdekking van hetgeen
God in hen die tot de andere Kerken en kerkelijke Gemeenschappen horen
bewerkstelligt. Dit directe contact op verschillende niveaus tussen de herders
en tussen de leden van de gemeenschappen heeft ons bewust gemaakt van het
getuigenis dat de andere christenen afleggen voor God en voor Christus. Zo is
er voor de hele oecumenische ervaring een wijd gebied opengelegd dat
tegelijkertijd de uitdaging is waarvoor onze huidige tijd zich geplaatst ziet. Is
de twintigste eeuw immers niet een tijd van het grote getuigenis dat ‘tot
bloedvergietens toe’ gaat? En betreft dit getuigenis soms niet ook de
verschillende Kerken en kerkelijke Gemeenschappen die hun naam aan Christus de
Gekruisigde en Opgestane, ontlenen?
Dit gemeenschappelijk getuigenis van
heiligheid als trouw aan de ene Heer is een uitzonderlijk oecumenisch
potentieel, rijk aan genade. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft onderstreept
dat de goederen die bij de andere christenen aanwezig zijn kunnen bijdragen tot
de opbouw van de katholieken: ‘Ook mag het ons niet ontgaan, dat al wat de
genade van de Heilige Geest in onze gescheiden broeders tot stand brengt ook
kan bijdragen tot stichting van onszelf. Wat echt christelijk is, is immers
nooit in strijd met de waarachtige waarden van het geloof. Het kan zelfs altijd
leiden tot een dieper doordringen in het Mysterie van Christus en zijn Kerk’. 80
De oecumenische dialoog zal als een echte heilsdialoog dit proces zeker
aanmoedigen, dat al goed begonnen is, om voort te gaan naar ware en volledige
gemeenschap.
|