|
50.
In dit verband moeten we met bijzondere dankbaarheid jegens de goddelijke
Voorzienigheid vaststellen dat de band met de Oosterse Kerken die in de loop
van de eeuwen verzwakt was, met het Tweede Vaticaans Concilie weer versterkt
is. De waarnemers van deze Kerken die op het Concilie aanwezig waren, samen met
vertegenwoordigers van de Kerken en kerkelijke Gemeenschappen van het Westen,
verklaarden openlijk op dat zeer plechtige moment voor de katholieke Kerk hun
gemeenschappelijke bereidheid om het herstel van de communio te zoeken.
Het Concilie heeft van zijn kant de
Oosterse Kerken met objectiviteit en diepe genegenheid beschouwd, en de nadruk
gelegd op hun kerkelijke aard en de werkelijke gemeenschapsbanden die hen met
de katholieke Kerk verbinden. Het Decreet over de oecumene stelt vast:
"Door de viering van de eucharistie des Heren wordt dus in deze
afzonderlijke Kerken de Kerk van God opgebouwd en uitgebreid". Het voegt
er consequent aan toe, dat "deze Kerken ondanks de scheiding ware
sacramenten hebben en op grond van de apostolische successie met name het
priesterschap en de eucharistie, waardoor zij met ons nog steeds in zeer nauwe
verbinding staan".82
De grote liturgische en spirituele
traditie van de Oosterse Kerken, de bijzondere aard van hun historische
ontwikkeling, de eigen kerkorde, die door hen van oudsher gevolgd en door de
kerkvaders en oecumenische Concilies bevestigd werden, als ook de hen eigen
manier om de leer te verkondigen, werden door het Concilie erkend. Dat alles in
de overtuiging dat de legitieme verscheidenheid op geen enkele wijze de eenheid
in de Kerk in de weg staat, maar veeleer haar schoonheid vermeerdert en in niet
geringe mate bijdraagt tot de vervulling van haar zending.
Het Tweede Vaticaans Concilie wil de
dialoog baseren op de reeds bestaande gemeenschappelijkheid en richt de
aandacht op de veelomvattende werkelijkheid van de Oosterse Kerken:
"Daarom richt de heilige kerkvergadering een aansporing tot allen, maar in
het bijzonder tot hen die zich willen inspannen voor het herstel van de volle
gemeenschap tussen de Kerken van het Oosten en de katholieke Kerk. Laten zij de
nodige aandacht schenken aan de geheel eigen situatie van de Kerken in het
Oosten bij hun ontstaan en ontwikkeling en aan de aard van de betrekkingen die
vóór de scheiding tussen hen en de Zetel van Rome bestonden en
laten zij zich een juist oordeel over dit alles vormen." 83
|