57.
Overeenkomstig de hoop die door paus Paulus VI werd verwoord is ons verklaarde
doel om de volledige eenheid samen te herstellen in gewettigde verscheidenheid:
"Wat de apostelen gezien en gehoord en ons verkondigd hebben, dat hebben
wij door Gods genade gelovig mogen aanvaarden. Door het doopsel immers
"zijn wij één in Christus Jezus" (vgl. Gal
3,28). Bovendien zijn wij op grond van de apostolische successie ten nauwste
verbonden door het priesterschap en de eucharistie. Door deel te hebben aan de
gaven die God aan zijn Kerk geschonken heeft worden we in gemeenschap gebracht
met de Vader door de Zoon in de heilige Geest (...) In elke plaatselijke Kerk
voltrekt zich dit geheim van de goddelijke liefde. Mogen we niet aannemen, dat
daaruit de traditionele zegswijze ontstaan is volgens welke de verschillende
plaatselijke Kerken elkaar zusterkerken plegen te noemen (vgl.decr.Unitatis redintegratio,
14)? Onze Kerken hebben kennelijk als zusters samengeleefd gedurende die eeuwen
waarin ze samen de oecumenische Concilies hielden die de geloofsschat
verdedigden tegen alle bederf. Nu, na langdurige onderlinge geschillen en
onenigheden, erkennen onze Kerken elkaar wederom als zusters, ondanks de
moeilijkheden die in het verleden tussen ons zijn ontstaan".89
Als wij vandaag, op de drempel van het derde millennium, naar het herstel van
de volledige gemeenschap zoeken, moeten we ons inzetten voor de verwezenlijking
van deze werkelijkheid en zij moet ons herkenningspunt zijn.
De band met deze glorierijke
traditie is voor de Kerk vruchtbaar. "De Kerken van het Oosten - aldus het
Concilie - bezitten vanaf het begin een schat waaruit de Kerk van het Westen op
het gebied van de liturgie, de geestelijke traditie en de rechtsorde in ruime
mate heeft geput".90
Tot deze "schat" hoort ook
"de rijkdom van geestelijke tradities die vooral in het monnikenwezen ligt
uitgedrukt. Vanaf de roemrijke tijd van de heilige vaders bloeide daar immers
de monastieke spiritualiteit, die zich later naar het Westen verbreid
heeft".91 In mijn recente Apostolische Brief Orientale
Lumen had ik de gelegenheid te benadrukken, dat de Oosterse Kerken met grote
edelmoedigheid het engagement waarvan het monnikenleven getuigt, beleefd hebben
"te beginnen bij de evangelisering, de hoogste dienst die de christen kan
aanbieden aan zijn broeder, gevolgd door vele andere vormen van geestelijke en
materiële dienst. Men kan inderdaad zeggen dat het monnikenwezen in de
oudheid - en in verschillende perioden van de daaropvolgende tijden eveneens -
het bevoorrechte middel is geweest voor de evangelisatie van de
volken".92
Het Concilie beperkt zich niet tot
het benadrukken van wat de Kerken van Oost en West op elkaar doet lijken. In
overeenstemming met de historische waarheid schroomt het niet te zeggen:
"Het valt (...) niet te verwonderen dat de een bepaalde aspecten van een
geopenbaard mysterie soms juister waarneemt en belicht dan de ander, zodat men
dan moet zeggen, dat de verschillende theologische formuleringen elkaar
dikwijls veeleer aanvullen dan uitsluiten".93 De
gemeenschap wordt vruchtbaar door de uitwisseling van gaven tussen de Kerken
voor zover die elkaar aanvullen.
|