58. Uit de
herbevestiging van een reeds bestaande gemeenschap in geloof trok het Tweede
Vaticaans Concilie pastorale consequenties die nuttig zijn voor het dagelijks
leven van de gelovigen en voor de bevordering van de geest van eenheid. Vanwege
de bestaande nauwe sacramentele banden tussen de katholieke Kerk en de
orthodoxe Kerken heeft het Decreet Orientalium Ecclesiarum verklaard:
"De pastorale praktijk wijst (...) uit dat men ten aanzien van onze
oosterse broeders verschillende persoonlijke omstandigheden in acht kan en moet
nemen die de eenheid van de Kerk niet schaden en ook geen te vermijden gevaren
meebrengen, maar waarbij wel het heil en het welzijn van de zielen dringende
eisen stellen. Derhalve heeft de katholieke Kerk, rekening houdend met de
omstandigheden van tijd, plaats en personen, in het verleden vaak een mildere
gedragsregel toegepast en zij doet dat nu nog door deelneming aan de
sacramenten en andere vieringen en heilige zaken toe te staan en zo aan allen
de heilsmiddelen te verschaffen en getuigenis af te leggen van de onderlinge
liefde van de christenen".94
Deze theologische en pastorale
oriëntering is ook op grond van de ervaring in de jaren na het Concilie
door de beide Codices van het canonieke recht overgenomen. 95
Ze is expliciet vanuit het pastorale standpunt behandeld in het Directorium
ter toepassing van beginselen en normen voor de oecumene. 96
In deze zo belangrijke en gevoelige kwestie is het noodzakelijk dat de Herders
de gelovigen zorgvuldig onderrichten, opdat deze de bijzondere redenen voor
deze deelneming aan de liturgische eredienst en de verschillende regelingen
leren kennen, die er op dit gebied zijn.
Nooit mag men de ecclesiologische
dimensie van de deelneming aan de sacramenten, vooral aan de heilige
eucharistie, uit het oog verliezen.
|