66. Het Tweede
Vaticaas Concilie heeft niet getracht om een "beschrijving" te geven
van het christendom van "na de Hervorming" aangezien "deze
Kerken en kerkelijke Gemeenschappen verschillen door hun ongelijkheid in
oorsprong, leer en geestelijk leven niet alleen van ons maar ook onderling in
niet geringe mate".111 Bovendien merkt het Decreet op
dat de oecumenische beweging en het verlangen naar vrede met de katholieke Kerk
nog niet overal wortel hebben geschoten. 112
Niettegenstaande deze omstandigheden roept het Concilie op tot dialoog.
Het Concilie-decreet wil dan
"enige punten naar voren brengen die de grondslag en de drijfveer voor
deze dialoog kunnen en moeten vormen".113 "Onze
aandacht richt zich (...) op de christenen die tot eer van de ene God, Vader,
Zoon en heilige Geest, Jezus Christus openlijk belijden als hun God en Heer en
de enige Middelaar tussen God en mens".114
Deze broeders koesteren liefde en
eerbied voor de Heilige Schrift: "Onder aanroeping van de heilige Geest
zoeken zij in de Heilige Schrift naar God, die als het ware tot hen spreekt in
Christus, aangekondigd door de profeten en Woord van God, voor ons mens
geworden. Daarin overwegen zij het leven van Christus en hetgeen onze
goddelijke Leraar voor de redding van de mensen heeft geleerd en gedaan, in het
bijzonder de geheimen van zijn dood en verrijzenis (...) Zij aanvaarden het
goddelijk gezag van de heilige boeken".115
Tegelijkertijd echter "denken zij anders dan wij (...) over de verhouding
tussen Schrift en Kerk, waarin volgens het katholiek geloof het authentieke
leergezag een bijzondere plaats inneemt bij het verklaren en verkondigen van
het geschreven woord van God".116 "Toch is de
Heilige Schrift juist bij de [oecumenische] dialoog een uitstekend hulpmiddel
in Gods machtige hand voor het verkrijgen van die eenheid die onze Verlosser
alle mensen aanbiedt".117
Bovendien biedt het sacrament van
het doopsel, dat we allemaal gemeenschappelijk hebben, "een sacramentele
band van eenheid (...) tussen allen die erdoor zijn wedergeboren".118
De theologische, pastorale en oecumenische vervlechtingen van ons
gemeenschappelijk doopsel zijn talrijk en belangrijk. Ofschoon dit sacrament op
zich "niet meer dan een eerste begin" is, is het "gericht op de
volledige belijdenis van het geloof, op de volledige inlijving in het
heilsinstituut zoals Christus zelf het gewild heeft, kortom op de volledige
opneming in de eucharistische gemeenschap".119
|