|
74.
"Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk
der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is" (Mt
7,21). De onderlinge samenhang en de oprechtheid van de bedoelingen en de
beginselverklaringen moeten blijken uit hun toepassing in de praktijk van het
leven. Het Conciliedecreet merkt op dat men onder andere christenen "als
vrucht van hun geloof in Christus (...) lof en dankzegging [aantreft] voor de
van God ontvangen weldaden; daarbij komen een levendig rechtvaardigheidsbesef
en oprechte liefde voor de naaste".125
Het hierboven geschetste terrein is
een vruchtbare bodem, niet alleen voor de dialoog, maar ook voor praktische
samenwerking: "Dit werkzame geloof heeft ook een belangrijk aantal
instellingen voortgebracht om de geestelijke en lichamelijke ellende te
lenigen, de opvoeding van de jeugd ter hand te nemen, de sociale
levensomstandigheden te verbeteren en overal de vrede te
versterken".126
Het sociale en culturele leven biedt
talloze gelegenheden voor oecumenische samenwerking. Steeds vaker werken
christenen samen om de menselijke waardigheid te verdedigen, de vrede te
bevorderen, het evangelie toe te passen op het sociale leven en de christelijke
geest in de wereld van de wetenschap en de kunsten aanwezig te doen zijn. Zij
treden steeds vaker gezamenlijk op in hun streven om het lijden en de noden van
onze tijd tegemoet te treden: honger, natuurrampen en sociaal onrecht.
|