|
88.
Onder alle Kerken en kerkelijke Gemeenschappen is de katholieke Kerk zich ervan
bewust dat zij het ambt van de Opvolger van de apostel Petrus bewaard heeft, de
bisschop van Rome, die God heeft aangesteld als haar "blijvend en
zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid"146 en
die door de heilige Geest gesteund wordt opdat hij in staat is alle anderen te
doen delen in dit wezenlijke goed. In de prachtige uitdrukking van de heilige
paus Gregorius is mijn ambt dat van servus servorum Dei (dienaar van de
dienaren van God). Deze definitie behoedt het best voor het gevaar dat de macht
(en in het bijzonder het primaat) wordt gescheiden van het dienstambt. Zo’n
scheiding zou in tegenspraak zijn met de eigenlijke betekenis van de macht
volgens het Evangelie: "Ik ben onder u als Iemand die dient" (Lc
22,27), zegt onze Heer Jezus Christus, het Hoofd van de Kerk. Van de andere
kant vormt, zoals ik opgemerkt heb tijdens de belangrijke ontmoeting aan de
Wereldraad van Kerken in Genève op 12 juni 1984, de overtuiging van de
katholieke Kerk dat zij in het ambt van de bisschop van Rome, in trouw aan de
apostolische Traditie en aan het geloof van de Vaders, het zichtbare teken en
de garantie van de eenheid heeft bewaard, een moeilijkheid voor de meeste
andere christenen, wier geheugen getekend wordt door bepaalde pijnlijke
herinneringen. Inzoverre wij daarvoor verantwoordelijk zijn, vraag ik met mijn
voorganger Paulus VI om vergiffenis. 147
|