91. Het Evangelie
van Mattheüs geeft een beschrijving van de herderlijke zending van Petrus
in de Kerk: "Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want niet vlees en
bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is. Op mijn
beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en
de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven
van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel
gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden
zijn" (16,17-19). Lucas maakt duidelijk dat Christus Petrus opdroeg zijn
broeders te versterken, terwijl Hij hem tegelijkertijd herinnerde aan zijn
eigen menselijke zwakheid en de noodzaak tot bekering (vgl. 22,31-32). Het is
juist alsof het tegen de achtergrond van Petrus’ menselijke zwakheid volkomen
duidelijk wordt gemaakt dat dit bijzondere dienstambt in de Kerk geheel
voortkomt uit genade. Het is alsof de Meester zich bijzonder wijdt aan de
bekering van Petrus als een manier om hem voor te bereiden op de taak die Hij
hem weldra zal geven in zijn Kerk, en Hij om deze reden zeer veeleisend is
jegens hem. Deze zelfde rol van Petrus, op soortgelijke wijze verbonden met een
realistische bevestiging van zijn zwakheid, komt weer voor in het Vierde
Evangelie: "Simon, zoon van Jona, hebt ge Mij meer lief dan dezen? (...)
Weid mijn schapen" (vgl. Joh 21,15-19). Het is ook betekenisvol dat
volgens de Eerste Brief van Paulus aan de Korinthiërs de verrezen Christus
verschijnt aan Kefas en dan aan de Twaalf (vgl. 15,5).
Het is belangrijk om op te merken hoe
de zwakheid van Petrus en van Paulus duidelijk laat zien dat de Kerk
gegrondvest is op de oneindige macht van de genade (vgl. Mt 16,17; 2Kor
12,7-10). Onmiddellijk nadat hij zijn zending ontvangen heeft, wordt Petrus met
ongewone strengheid berispt door Christus, die hem zegt: "Je bent een
struikelblok voor Mij" (Mt 16,23). Moeten we het erbarmen dat
Petrus nodig heeft niet in relatie zien met het ambt van die barmhartigheid die
hij als eerste zal ervaren? En toch zal Petrus Jezus driemaal verloochenen. Het
Evangelie van Johannes benadrukt dat Petrus de taak om de kudde te weiden
ontvangt bij gelegenheid van een drievoudige bekentenis van zijn liefde (vgl.
21,15-17), die overeenkomt met zijn drievoudige verraad (vgl. 13,38). Lucas van
zijn kant blijft in het reeds aangehaalde woord van Christus, waaraan de eerste
overlevering zal vasthouden met de bedoeling, de zending van Petrus te
beschrijven, erbij dat deze "zodra hij zich bekeerd heeft, zijn broeders
versterken" moet (vgl. Lc 22,32).
|