94. Deze dienst
van de eenheid die wortelt in het werk van de goddelijke barmhartigheid, wordt
binnen het bisschoppencollege toevertrouwd aan een van degenen die van de
heilige Geest de opdracht hebben ontvangen, niet om de macht over het volk uit
te oefenen - zoals de bestuurders van de volken en de machtigen doen (vgl. Mt
20,25; Mc 10,42) -, maar om hen te leiden naar vredige weiden. Deze taak
kan het offer van het eigen leven vragen (vgl. Joh 10,11-18). Sint
Augustinus laat eerst zien dat Christus "de ene Herder" is, "in
wiens eenheid allen één zijn" en gaat dan verder met de
aansporing: "Mogen alle herders zo één zijn in de ene
Herder; mogen zij de ene stem van de Herder laten horen; mogen de schapen deze
stem horen en hun Herder volgen, niet deze of gene herder, maar de ene; mogen
zij allen één stem in Hem laten horen en niet allerlei stemmen. (...)
Die stem, vrij van alle verdeeldheid, gezuiverd van alle ketterij, mogen de
schapen die horen".151 De opdracht van de bisschop van
Rome binnen het College van alle herders ligt juist in het "waken" (episkopein)
als een schildwacht, opdat dankzij de inspanningen van de herders de ware stem
van Christus de Herder gehoord wordt in alle plaatselijke Kerken. Op
deze wijze wordt in elke van de hun toevertrouwde plaatselijke Kerken de
una, sancta, catholica et apostolica Ecclesia werkelijkheid. Alle Kerken
bevinden zich in volle en zichtbare gemeenschap, omdat alle herders in
gemeenschap zijn met Petrus en zo in de eenheid van Christus zijn.
Met de volmacht en het gezag zonder
welke dit ambt leeg wordt, moet de bisschop van Rome de gemeenschap van alle
Kerken garanderen. Daardoor is hij de eerste onder de dienaren van de eenheid. Het
primaat wordt op verschillende niveaus uitgeoefend: ze betreffen het waakzame
toezicht op het doorgeven van het Woord, de viering van de liturgie en de
sacramenten, de zending en de tucht van de Kerk en het christelijk leven. Het
is de verantwoordelijkheid van de opvolger van Petrus om te herinneren aan de
eisen van het algemeen welzijn van de Kerk, mocht iemand in de verleiding komen
om dit te vergeten in het nastreven van het eigen belang. Hij heeft de plicht
te vermanen, te waarschuwen en soms deze of gene mening die verbreid wordt,
voor onverenigbaar met de eenheid van het geloof te verklaren. Als de
omstandigheden dat vereisen, spreekt hij in naam van alle herders die met hem
in gemeenschap zijn. Hij kan ook - onder zeer bepaalde, door het Eerste
Vaticaans Concilie nauw omschreven voorwaarden - ex cathedra verklaren
dat een bepaald leerstuk tot het geloofsgoed hoort. 152 Door
dit getuigenis van de waarheid dient hij de eenheid.
|