9. Jezus zelf
heeft in het uur van zijn lijden gebeden, dat "allen één
mogen zijn" (Joh 17,21). Deze eenheid die de Heer aan zijn Kerk
heeft gegeven en waarin Hij allen wilde omvatten, is geen bijzaak maar staat in
het centrum van zijn werken. En ze is ook niet een onbelangrijk attribuut van
de gemeenschap van zijn leerlingen. Ze hoort veel meer tot het wezen van deze
gemeenschap zelf. God wil de Kerk, omdat Hij de eenheid wil en in de eenheid de
hele diepte van zijn agapè.
Want deze door de heilige Geest
geschonken eenheid bestaat niet louter in een verzameling mensen die tot een
optelsom van personen wordt. Het is een eenheid die door de banden van de
geloofsbelijdenis, de sacramenten en de hiërarchische leiding en
gemeenschap gevormd wordt. 10 De gelovigen zijn één,
omdat zij in de Geest in gemeenschap zijn met de Zoon en, in Hem, delen
in zijn gemeenschap met de Vader: "Wij hebben gemeenschap met de
Vader en met zijn Zoon Jezus Christus" (1Joh 1,3). Voor de
katholieke Kerk is dus de gemeenschap van de christenen geen andere dan
de manifestatie van de genade aan hen, waardoor God hen tot deelnemers aan zijn
eigen gemeenschap maakt, die zijn eeuwige leven is. De woorden van
Christus "dat zij één mogen zijn" zijn zo zijn gebed
aan de Vader, dat het plan van de Vader volledig vervuld mag worden, op zo’n
wijze, dat iedereen duidelijk moge zien "wat het plan is van het geheim
dat eeuwenlang verborgen was in God die alle dingen heeft geschapen" (Ef
3,9). In God geloven betekent eenheid verlangen; eenheid verlangen betekent de
Kerk verlangen; de Kerk verlangen betekent de gemeenschap van genade te
verlangen, die overeenkomt met het plan van de Vader van alle eeuwigheid af.
Dat is de betekenis van Christus’ gebed: "Ut unum sint".
|