|
15.
Vanaf de beginselen, vanaf de verplichtingen van het christelijk geweten tot
aan de verwerkelijking van de oecumenische weg naar eenheid, benadrukt het
Tweede Vaticaans Concilie vooral de noodzakelijkheid van de innerlijke
bekering. De messiaanse aankondiging dat "de tijd vervuld is en het
Koninkrijk van God nabij" en de daaropvolgende oproep om "boete te
doen en te geloven in het Evangelie" (Mk 1,15) waarmee Jezus zijn
zending begint, geven het wezenlijke element van ieder nieuw begin aan: de
fundamentele noodzaak van evangelisatie op iedere etappe van de heilsweg van de
Kerk. Dit betreft bijzonder het proces dat begonnen is met het Tweede Vaticaans
Concilie, toen het de oecumenische taak van het verenigen van gescheiden
christenen aangaf als een dimensie van vernieuwing. "Een ware
oecumenische beweging zonder innerlijke omkeer is niet mogelijk".21
Het Concilie roept op tot
persoonlijke bekering alsook tot gemeenschappelijke bekering. Het
verlangen van iedere christelijke gemeenschap naar eenheid gaat hand in hand
met haar trouw aan het Evangelie. In het geval van afzonderlijke personen die
hun christelijke roeping beleven, spreekt het Concilie van innerlijke bekering,
van een bekering van de geest. 22
Daarom zou iedereen zich radicaler
moeten bekeren tot het Evangelie en, zonder ooit het zicht te verliezen op Gods
plan, zijn of haar manier van het kijken naar de dingen moeten veranderen.
Dankzij de oecumene is onze beschouwing van "de machtige werken van
God" (Mirabilia Dei) verrijkt door nieuwe horizonten. De
drieëne God roept ons op daarvoor dank te brengen: de wetenschap dat de
Geest werkt in andere christelijke Gemeenschappen, de ontdekking van
voorbeelden van heiligheid, de ervaring van de onmetelijke rijkdom die in de
gemeenschap van de heiligen aanwezig is en het contact met onverwachte
dimensies van christelijke betrokkenheid. Op overeenkomstige wijze is er een
toenemend besef van de noodzaak van boetedoening, een zich bewust zijn van
bepaalde uitsluitingen die de broederlijke liefde ernstig schaden, van bepaalde
weigeringen om te vergeven, van een bepaalde trots, van een onevangelisch
blijven aandringen op een veroordeling van de "andere kant", van een
arrogantie die voortkomt uit een ongezonde verwaandheid. Zo wordt het hele
leven van de christenen gekenmerkt door zorg voor de oecumene; en zij worden
ertoe opgeroepen om zichzelf als het ware te laten vormen door die zorg.
|