|
21.
"Deze innerlijke omkeer en heiligheid van leven, mits gepaard met
persoonlijke en openbare smeekbeden voor de eenheid van de christenen, moet
men beschouwen als de ziel van de gehele oecumenische beweging. Men kan dit
terecht een geestelijke oecumene noemen".42 Men gaat
voort op de weg die tot de bekering van de harten voert, geleid door de liefde
die gericht is op God en tegelijkertijd op alle broeders met inbegrip van hen,
die niet in volle gemeenschap met ons zijn. Uit de liefde ontstaat het
verlangen naar de eenheid, ook bij hen die de eis van de eenheid steeds hebben
veronachtzaamd. De liefde is de bouwmeesteres van de gemeenschap onder de
mensen en onder de gemeenschappen. Als wij van elkaar houden, streven wij
ernaar onze gemeenschap te versterken en haar volmaakt te maken. De liefde
richt zich tot God als de volmaakte bron van gemeenschap - de eenheid van
Vader, Zoon en heilige Geest - opdat we uit die bron de kracht mogen putten om
gemeenschap op te bouwen tussen enkelingen en gemeenschappen of om haar te
herstellen tussen christenen die nog verdeeld zijn. Liefde is de grote
onderstroom die leven geeft en kracht verleent aan de beweging naar de eenheid.
Deze liefde vindt haar meest
volkomen uitdrukking in het gezamenlijk gebed. Als broeders die niet in
volledige gemeenschap met elkaar zijn, samenkomen om te bidden, omschrijft het
Tweede Vaticaans Concilie hun gebed als de ziel van de hele oecumenische
beweging. Dit gebed is "een zeer effectief middel om de genade van de
eenheid te vragen", "een echte uitdrukking van de banden waardoor
zelfs nu nog de katholieken gebonden zijn aan hun gescheiden broeders".43
Zelfs wanneer het gebed niet speciaal wordt opgedragen voor de christelijke
eenheid, maar voor andere intenties, zoals de vrede, wordt het gebed op zich
een uitdrukking en bevestiging van de eenheid. Het gemeenschappelijk gebed van
de christenen is een uitnodiging aan Christus zelf om de gemeenschap te
bezoeken van hen, die Hem aanroepen: "Waar twee of drie verzameld zijn in
mijn naam, daar ben Ik in hun midden" (Mt 18,20).
|