|
28.
Als het gebed de ‘ziel’ is van de oecumenische vernieuwing en van het verlangen
naar eenheid, dan vormt het de basis en de steun voor alles wat het Concilie
definieert als ‘dialoog‘. Deze definitie heeft zeker ook betrekking op de
huidige personalistische manier van denken. De ‘dialoog’-houding stoelt
op de natuur van de persoon en zijn waardigheid. Vanuit het standpunt van de
filosofie wordt deze benadering verbonden met de christelijke waarheid over de
mens die het Concilie verwoordde: de mens is in feite "het enige schepsel
dat om zichzelf door God gewild is"; zo kan hij "zichzelf niet
volledig vinden tenzij in de oprechte gave van zichzelf".51
De dialoog is een noodzakelijke stap op de weg naar menselijke
zelfverwerkelijking, de zelfverwerkelijking zowel van ieder afzonderlijk
als van elke menselijke gemeenschap. Ofschoon het begrip ‘dialoog’
prioriteit lijkt te geven aan het kennismoment (dia-logos), heeft iedere
dialoog een alomvattende, existentiële dimensie in zich. Hij sluit het
menselijke subject in zijn totaliteit in; dialoog tussen gemeenschappen sluit
op bijzondere wijze de subjectiviteit van ieder in.
Deze waarheid over de dialoog die zo
diepzinnig werd verwoord door paus Paulus VI in zijn encycliek Ecclesiam
Suam, 52 werd ook door het Concilie opgenomen in zijn
leer en zijn oecumenische activiteit. Dialoog is niet eenvoudigweg een
uitwisseling van ideeën. In zekere zin is hij altijd een
"uitwisseling van gaven".53
|