34. Dankzij de
oecumenische dialoog kunnen we spreken van een grotere rijpheid in ons
gemeenschappelijk gebed voor elkaar. Dit is mogelijk inzoverre de dialoog ook en
tegelijkertijd dient als een gewetensonderzoek. In dit verband moeten we
ons wel de woorden van de Eerste Brief van Johannes te binnen brengen:
"Als we zeggen dat we geen zonde hebben, bedriegen we onszelf, en de
waarheid is niet in ons. Als we onze zonden belijden is God trouw en rechtvaardig,
en zal Hij onze zonden vergeven en ons reinigen van alle ongerechtigheid".
(1,8-9). Johannes gaat zelfs zo ver dat hij stelt: "Als we zeggen dat we
niet gezondigd hebben, maken we Hem tot leugenaar, en zijn woord is niet in ons"
(1,10). Zo’n radicale aansporing om onze toestand als zondaars te erkennen
zou ook de geest waarin wij de oecumenische dialoog aangaan, moeten kenmerken.
Als zo’n dialoog geen gewetensonderzoek wordt, een soort van "dialoog van
de gewetens", kunnen we dan rekenen op de verzekering die de Eerste Brief
van Johannes ons geeft? "Mijn kinderen, ik schrijf u dit, opdat u niet
zondigt; maar wanneer iemand zondigt hebben wij een voorspreker bij de
Vader, Jezus Christus de Gerechte; en Hij is de uitboeting van onze zonden,
en niet alleen voor die van ons maar ook voor de zonden van de hele
wereld" (2,1-2). Alle zonden van de wereld zijn ingesloten in het reddende
offer van Christus, ook de zonden tegen de eenheid van Kerk; de zonden van de
christenen, die van de herders niet minder dan die van de lekengelovigen. Zelfs
na de vele zonden die hebben bijgedragen tot onze historische verdeeldheden is
de christelijke eenheid mogelijk, op voorwaarde dat we ons er nederig van
bewust zijn dat we gezondigd hebben tegen de eenheid en dat we overtuigd zijn
van de noodzaak van onze bekering. Niet alleen persoonlijke zonden moeten
vergeven worden en overwonnen, maar ook sociale zonden, dat wil zeggen de
zondige ‘structuren’ zelf die hebben bijgedragen en nog altijd kunnen bijdragen
aan de verdeeldheid en aan de versterking ervan.
|