Chapter, Paragraph, Number
1 Intro, 0,2| roept, behoort aan Christus 'tijd en eeuwigheid' toe. Door
2 Intro, 0,2| bestemd om het verloop van de tijd te markeren, maar ook om
3 Intro, 0,3| omstandigheden van onze tijd.~ ~
4 Intro, 0,4| betekenis van een wekelijkse tijd van ontspanning die soms
5 Intro, 0,4| wezenlijk opgevat wordt als een tijd van louter rust of er op
6 Intro, 0,7| ontdekken: Wees niet bang uw tijd aan Christus te geven. Ja,
7 Intro, 0,7| geven. Ja, laten we onze tijd openstellen voor Christus,
8 Intro, 0,7| juist kent het geheim van de tijd en ook van de eeuwigheid.
9 Intro, 0,7| De aan Christus gegeven tijd is nooit verloren tijd,
10 Intro, 0,7| gegeven tijd is nooit verloren tijd, maar eerder tijd die gewonnen
11 Intro, 0,7| verloren tijd, maar eerder tijd die gewonnen is voor de
12 I, 1,8 | Zoon bij de "volheid van de tijd" (Gal 4,4) mens is geworden,
13 I, 3,14 | God teruggevoerd wordt. Tijd en ruimte behoren Hem toe.
14 I, 3,15 | hele mensenleven en de hele tijd van de mens moeten eigenlijk
15 I, 3,15 | heilige architectuur" van de tijd die de bijbelse openbaring
16 I, 5,18 | door Christus ingeluide tijd doorzagen, de dag na de
17 II, 2,21 | noemen zien (1,10). Vanaf die tijd zou het een van de kenmerken
18 II, 5,26 | alleen het begin van de tijd in zich draagt, maar meer
19 II, 5,26 | zal volgen na de huidige tijd, de dag zonder einde die
20 II, 6,27 | uitdrukking krijgt vanaf die tijd voor de gelovigen een nieuwe
21 II, 6,27 | in het weekritme van de tijd, van de openbaring van zijn
22 II, 9,30 | de moeilijkheden van onze tijd, beschermd, en vooral beleefd
23 II, 9,30 | De problemen die in onze tijd het nakomen van de zondagsplicht
24 III, 1,31 | de leerlingen wordt in de tijd het beeld van de eerste
25 III, 7,40 | vertalen naar de huidige tijd, afgestemd op de vragen
26 III, 7,41 | Testament al voorzag voor de tijd van vernieuwing van het
27 III, 1,49 | tenslotte de regel dat de tijd waarbinnen aan de verplichting
28 III, 4,52 | maatschappelijke contacten, tijd voor ontspanning een stijl
29 IV, 1,56 | overeenkomstig de kerkorde in de tijd kunnen variëren, alleen
30 IV, 2,60 | de rust van God geeft de tijd heel zijn betekenis; in
31 IV, 2,60 | van de 'sabbat' behoedt de tijd voor het gevaar in zichzelf
32 IV, 2,61 | uitdrukking dat de sabbat de tijd zelf vervult en in zekere
33 IV, 2,62 | meer gelden en verleden tijd geworden zijn door de 'verwezenlijking'
|