Chapter, Paragraph, Number
1 Intro, 0,1| 1. De dag des Heren zo wordt
2 Intro, 0,1| tijden de zondag aangeduid 1 is in de geschiedenis van
3 Intro, 0,1| heerlijkheid zal komen (vgl. Hnd 1,11; 1Tes 4, 13-17) en die
4 Intro, 0,6| nieuw leven van hoop' (1Pe 1,3)".8~
5 I, 1 | door Hem geworden" (Joh 1,3)~
6 I, 1,8 | Hem is niets geworden" (1,3). Dat is ook wat Paulus
7 I, 1,8 | door Hem en voor Hem" (Kol 1,16). Deze actieve aanwezigheid
8 I, 2 | de hemel en de aarde" (Gn 1,1)~
9 I, 2 | hemel en de aarde" (Gn 1,1)~
10 I, 2,9 | zag, dat het goed was" (Gn 1,10;12; e.v.). Dit refrein,
11 I, 2,11 | op het "zeer goede" (Gn 1,31) werk dat uit zijn handen
12 I, 4,17 | had "heel goed" was (Gn 1,31).~ ~
13 II, 1,20 | sabbat" (Mc 16,2-9; Lc 24,1; Joh 20,1). Op diezelfde
14 II, 1,20 | 16,2-9; Lc 24,1; Joh 20,1). Op diezelfde dag maakte
15 II, 1,20 | joodse Paasfeest (vgl. Hnd 2,1), toen door de uitstorting
16 II, 1,20 | had (vgl. Lc 24,49; Hnd 1,4-5), vervuld werd. Het
17 II, 2,21 | des Heren" te noemen zien (1,10). Vanaf die tijd zou
18 II, 4,24 | kosmische week (vgl. Gn 1,1-2 en 4) die in het boek
19 II, 4,24 | kosmische week (vgl. Gn 1,1-2 en 4) die in het boek
20 II, 4,24 | schepping van het licht (vgl. 1,3-5). Een dergelijke verbinding
21 II, 4,24 | heel de schepping" (Kol 1,15) en ook "Eerstgeborene
22 II, 4,24 | onder de doden" (vgl. Kol 1,18) is.~
23 II, 6,27 | vgl. Joh 9,5; vgl. ook 1,4-5 en 9), en de gedenkdag
24 II, 6,27 | de dood gezeten zijn" (Lc 1,78-79). En de kerk zindert
25 III, 7,41 | door zijn "amen" (vgl. 2Kor 1,20-22) en dat de heilige
26 III, 8,42 | geschapen zijn (vgl. Kol 1,16; Joh 1,3) en dat ze in
27 III, 8,42 | zijn (vgl. Kol 1,16; Joh 1,3) en dat ze in Hem, die
28 III, 8,42 | hoofd gebracht zijn (vgl. Ef 1,10) om opgedragen te worden
29 III, 0,45 | welgevallig is (vgl. Rom 12,1). Hij voelt zich bij zijn
30 IV, 2,59 | de schepping (vgl. Gn 2,1-3; Ex 20,8-11) en de uittocht
31 IV, 2,59 | wezens op aarde, in Hem" (Ef 1,10). Ook de herdenking van
32 IV, 2,61 | en gelijkenis" (vgl. Gn 1,26). Deze zeer nauwe band
33 IV, 2,61 | dieren en de mensen (vgl. Gn 1,22 en 28) begiftigd is met
|