Chapter, Paragraph, Number
1 Intro, 0,1| wordt, de voleinding in zijn persoon van de eerste schepping,
2 Intro, 0,1| zij van Hem de gave van zijn vrede en zijn Geest ontvingen (
3 Intro, 0,1| de gave van zijn vrede en zijn Geest ontvingen (vgl. Joh
4 Intro, 0,2| van de wereld verbonden zijn.~Men kan dus gerust zeggen,
5 Intro, 0,3| nogmaals onderstreept, toen hij zijn goedkeuring hechtte aan
6 Intro, 0,3| betekenis van de zondag, zijn 'mysterie', de waarde van
7 Intro, 0,3| deze apostolische brief zijn gerijpt toen ik bisschop
8 Intro, 0,4| leerlingen van Christus wordt op zijn minst verwacht, dat zij
9 Intro, 0,4| de dag des Heren dient te zijn, niet verwarren met het '
10 Intro, 0,4| christenen helpt 'zichzelf' te zijn, in volledige overeenstemming
11 Intro, 0,5| oudsher geëvangeliseerd zijn nog het feit, dat de schaarste
12 Intro, 0,7| eeuwigheid. Hij vertrouwt ons 'Zijn dag' toe als een telkens
13 Intro, 0,7| telkens nieuw geschenk van zijn liefde. De herontdekking
14 I, 1,8 | schepping'. Wanneer dit in al zijn omvang doorzien wordt, is
15 I, 1,8 | waar, dat Hij, krachtens zijn eigen mysterie als eeuwige
16 I, 1,8 | bevestigd in de inleiding op zijn evangelie: "alles is door
17 I, 1,8 | eersteling van hen die ontslapen zijn" (1Kor 15,20) de nieuwe
18 I, 1,8 | voleinden op het moment van zijn terugkomst in heerlijkheid, "
19 I, 1,8 | Hij bij het beëindigen van zijn werk "de zevende dag zegende
20 I, 1,8 | Daarin is Christus zelf door zijn verrijzenis binnengegaan.
21 I, 1,8 | gaan door te volharden op zijn weg van kinderlijke gehoorzaamheid (
22 I, 2,9 | voorbestemd is de enige Heer te zijn tegenover de telkens terugkerende
23 I, 2,9 | refrein, dat het verhaal zijn ritme geeft, werpt een welwillend
24 I, 2,9 | gelijkenis geschapen is, en zijn val die in de wereld het
25 I, 2,10 | draagt het merkteken van zijn goedheid. Het is een mooie
26 I, 2,10 | wereld te bewonderen zal zijn."~De opwindende geschiedenis
27 I, 2,11 | voorbeeld voor de mens. Zijn 'rust' is dat eveneens: "
28 I, 2,11 | nooit op met aan het werk te zijn. Jezus herinnert daaraan
29 I, 2,11 | Gn 1,31) werk dat uit zijn handen is voortgekomen om
30 I, 2,11 | met het schepsel dat naar zijn beeld gemaakt is door hem
31 I, 2,11 | Israël gesloten heeft en dat zijn hoogtepunt zal bereiken
32 I, 2,11 | vestiging van de kerk als zijn lichaam en bruid, voor heel
33 I, 2,12 | uitrust en zich verheugt over zijn schepping is dezelfde die
34 I, 2,12 | schepping is dezelfde die zijn heerlijkheid toont als Hij
35 I, 2,12 | heerlijkheid toont als Hij zijn kinderen van de onderdrukking
36 I, 2,12 | als de bruidegom tegenover zijn bruid (vgl. Hos 2,16-24;
37 I, 2,12 | betrekking tussen God en zijn volk kenmerkt. Dat komt
38 I, 3,13 | hart van de mens gegrift zijn. Door dit gebod een plaats
39 I, 3,14 | enige de 'dag des Heren' te zijn.~Om de betekenis van deze '
40 I, 3,14 | bijzondere zegen en er 'zijn dag' bij uitstek van maakt,
41 I, 3,14 | te gebruiken die ontleend zijn aan de ervaring van de huwelijksliefde.~
42 I, 3,15 | relatie, waarop de mens zijn zang naar God doet opstijgen
43 I, 3,15 | dat de mens zich niet aan zijn werk als medewerker van
44 I, 3,15 | van die waarheid bewust te zijn.~ ~
45 I, 4,16 | die moet heilig voor u zijn" (Ex 20,8). Verderop geeft
46 I, 4,17 | wonderdaden die door God zijn verricht.~In de mate waarin
47 I, 4,17 | mens, de dag van de Heer, zijn volle betekenis. Daarmee
48 I, 5,18 | bewerkstelligd heeft en wat Hij voor zijn volk bij de uittocht heeft
49 I, 5,18 | uittocht heeft gedaan, heeft zijn voltooiing gevonden in de
50 I, 5,18 | gebracht was bezag, voortaan zijn uitdrukking in de vreugde
51 II, 1,19 | Heren, zoals gezegd is, zijn wortels heeft in het werk
52 II, 1,20 | door hem de tekenen van zijn lijden te tonen. De dag
53 II, 1,20 | de belofte die Jezus na zijn verrijzenis gedaan had (
54 II, 1,20 | verrezen was en zij "die zijn woord aannamen lieten zich
55 II, 2,21 | brood", toen Paulus tot hen zijn afscheidsrede richtte en
56 II, 2,21 | het een van de kenmerken zijn waardoor de christenen van
57 II, 2,22 | vieren van de zondag met zijn karakter van vaste dag in
58 II, 2,22 | verrezen Christus zelf aan zijn leerlingen had moeten uitleggen.
59 II, 3,23 | maar tot de nieuwe hoop zijn gekomen, niet meer de sabbat
60 II, 3,23 | is opgebloeid door Hem en zijn dood door dat geheim ontvingen
61 II, 3,23 | profeten, die in de geest zijn leerlingen waren, als hun
62 II, 3,23 | verwachtten?"21 Augustinus op zijn beurt merkt op: "En juist
63 II, 3,23 | juist daarom heeft de Heer zijn zegel aan zijn dag gehecht,
64 II, 3,23 | heeft de Heer zijn zegel aan zijn dag gehecht, de derde dag
65 II, 3,23 | gehecht, de derde dag na zijn lijden en sterven. In de
66 II, 5,26 | verwerkelijken, besluit Augustinus zijn Belijdenissen door te spreken
67 II, 5,26 | christen het uitzicht op zijn doel: het eeuwig leven.28~ ~
68 II, 6,27 | 9), en de gedenkdag van zijn verrijzenis is de eeuwige
69 II, 6,27 | tijd, van de openbaring van zijn heerlijkheid. De zondag
70 II, 6,27 | tot de hare, wanneer hij zijn blik opslaat naar Christus
71 II, 6,27 | schaduw van de dood gezeten zijn" (Lc 1,78-79). En de kerk
72 II, 6,27 | hij het goddelijk Kind in zijn armen nam dat gekomen was
73 II, 7,28 | avond van het paasfeest aan zijn apostelen verscheen, blies
74 II, 7,28 | wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie
75 II, 7,28 | wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven" (Joh 20,
76 II, 7,28 | geschenk van de Verrezene aan zijn leerlingen. En het is opnieuw
77 II, 7,28 | bezielen door de adem van zijn Geest.~ ~
78 II, 8,29 | op een bijzondere manier zijn verknochtheid aan Christus
79 II, 8,29 | verknochtheid aan Christus en zijn evangelie hernieuwt in een
80 II, 8,29 | versterkt bewustzijn van zijn doopbeloften. Door willig
81 II, 9,30 | beleefd moet worden in al zijn diepte. Een oosters schrijver
82 III, 1,31 | bijeengeroepen, door Hem die zijn leven gegeven heeft "om
83 III, 1,31 | brengen" (Joh 11,52). Zij zijn één geworden in Christus (
84 III, 1,31 | van vrijgekochte mensen te zijn, samengesteld uit "elke
85 III, 2,32 | van de kerk wordt, gezien zijn vitale band met het sacrament
86 III, 2,33 | gave van de vrede die door zijn bloed verworven was en tegelijk
87 III, 2,33 | verworven was en tegelijk met zijn Geest geschonken werd: "
88 III, 2,33 | te komen om het geloof in zijn verrijzenis te belijden
89 III, 2,33 | deze gelegenheid stelde, zijn dezelfde als bij het Laatste
90 III, 3,34 | bisdom bijeenkomt om met zijn eigen herder te bidden: "
91 III, 3,34 | de bisschop, omringd door zijn priesterschaar en zijn altaardienaren."
92 III, 3,34 | door zijn priesterschaar en zijn altaardienaren."43 De betrekking
93 III, 3,34 | deelgenoot heeft gemaakt aan zijn eeuwig leven"44 benadrukt
94 III, 3,34 | ervan bewust een plaats te zijn waar het mysterie van de
95 III, 3,34 | smeken, dat Hij "denkt aan zijn kerk verspreid over de hele
96 III, 4,36 | kinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd, door hun de
97 III, 4,36 | in de parochie gevestigd zijn, in de zondagsmis van de
98 III, 4,36 | gemeenschap",52 ook aanwezig zijn. Dat geeft hun de gelegenheid
99 III, 4,36 | een legitiem kenmerk van zijn, in gehoorzaamheid aan het
100 III, 4,36 | christengemeenschap het gevolg van kunnen zijn.~ ~ ~
101 III, 5,37 | kerk in de loop der tijden zijn de herinnering aan de verrijzenis
102 III, 5,37 | kracht naar de glorie van zijn toekomstige 'wederkomst'.
103 III, 7,39 | paasmysterie waarin Jezus na zijn verrijzenis zijn leerlingen
104 III, 7,39 | Jezus na zijn verrijzenis zijn leerlingen zelf heeft binnengeleid.
105 III, 7,39 | want Hij is aanwezig in zijn Woord "wanneer de heilige
106 III, 7,39 | door de gedachtenis van zijn lijden, sterven en verrijzen.
107 III, 7,39 | nauw met elkaar verbonden zijn, dat zij een enkele daad
108 III, 7,39 | Deze gunstige richtlijnen zijn trouw toegepast bij de liturgische
109 III, 7,39 | hervormingen, waarover Paulus VI in zijn commentaar bij het rijkere
110 III, 7,40 | inderdaad niet te verwachten zijn, dat alleen de liturgische
111 III, 7,40 | opleveren. Het is dus op zijn plaats de initiatieven toe
112 III, 7,40 | van doordrongen raken. Er zijn natuurlijk heel wat zaken
113 III, 7,41 | dan de dialoog van God met zijn volk. In deze dialoog worden
114 III, 7,41 | volk van God voelt zich van zijn kant geroepen te antwoorden
115 III, 7,41 | tegelijkertijd betoont het volk zijn trouw door een blijvende '
116 III, 7,41 | wijze in het credo vervat zijn. De liturgie voorziet uitdrukkelijk
117 III, 7,41 | hernieuwen van hun keuze trouw te zijn aan God en zijn voorschriften
118 III, 7,41 | trouw te zijn aan God en zijn voorschriften aan te hangen.
119 III, 7,41 | hangen. Bij het doorgeven van zijn woord verwacht God inderdaad
120 III, 7,41 | voor ons gegeven heeft door zijn "amen" (vgl. 2Kor 1,20-22)
121 III, 8,42 | God dank te zeggen voor zijn ontelbare gaven door Hem
122 III, 8,42 | door Christus geschapen zijn (vgl. Kol 1,16; Joh 1,3)
123 III, 8,42 | onder een hoofd gebracht zijn (vgl. Ef 1,10) om opgedragen
124 III, 8,42 | de Vader, aan Wie alles zijn oorsprong en zijn leven
125 III, 8,42 | alles zijn oorsprong en zijn leven ontleent. Ten slotte
126 III, 8,42 | volk van God door zich met zijn 'amen' bij de eucharistische
127 III, 8,43 | Christus heeft zich van al zijn waardigheid ontdaan, waardoor
128 III, 8,43 | geofferd."70 Christus verenigt zijn offer met dat van de kerk: "
129 III, 8,43 | offer van de ledematen van zijn lichaam. Het leven van de
130 III, 8,43 | die van Christus en met zijn totale offerande. Zij krijgen
131 III, 9,44 | zij, als zij zich bewust zijn van een zware zonde, vergeving
132 III, 9,44 | van de heilige Paulus in zijn vermaan aan de gemeenschap
133 III, 0,45 | beleven en te verkondigen, zijn, zoals de eerste getuigen
134 III, 0,45 | leerling van Christus in zijn gewone leefomgeving terug
135 III, 0,45 | terug met de plicht van heel zijn leven een geschenk te maken,
136 III, 0,45 | 12,1). Hij voelt zich bij zijn broeders in het krijt staan
137 III, 1,46 | heeft kunnen vaststellen.~In zijn eerste Apologie gericht
138 III, 1,46 | riskeerden, dan afwezig te zijn bij de zondagse eucharistieviering.
139 III, 1,47 | deze gewetensplicht, die zijn grond vindt in een innerlijke
140 III, 1,47 | van plaatselijke concilies zijn uitgelopen op een alom geldende
141 III, 1,47 | andere verplichte feestdagen zijn de gelovigen verplicht aan
142 III, 1,48 | 48. Tegenwoordig zijn er opnieuw, net als in de
143 III, 1,48 | doorslaggevend belang voor zijn geloofsleven is om 's zondags
144 III, 1,49 | zondags niet in hun woonplaats zijn, alle moeite moeten doen
145 III, 1,49 | het vaak noodzakelijk zal zijn bijzondere maatregelen voor
146 III, 2,50 | komen in overeenstemming zijn met de liturgische bepalingen
147 III, 2,50 | kerkelijke traditie waardig zijn, die op dat gebied zich
148 III, 3,51 | laten voelen. Het actief zijn van de gelovigen in alle
149 III, 3,51 | tussen de functies die eigen zijn aan respectievelijk de celebrant
150 III, 3,51 | gelovigen zich ervan bewust zijn, dat zij krachtens het bij
151 III, 4,52 | en kinderen bijvoorbeeld zijn in alle rust bij elkaar.
152 III, 4,52 | de Heer. Voor het overige zijn er naast allerlei moeilijkheden
153 III, 4,52 | verlangen naar het gebed in zijn veelvoudige vormen opkomen.
154 III, 4,52 | het geloof te ervaren. Dat zijn genademomenten die men moet
155 III, 5,53 | probleem, dat er parochies zijn die zich niet mogen verheugen
156 III, 5,53 | een groot gebied verspreid zijn. Noodgevallen kunnen zich
157 III, 5,53 | die normaliter verstoken zijn van de aanwezigheid van
158 III, 6,54 | ernstige redenen verhinderd zijn, dienen zich op afstand
159 III, 6,54 | volgen vervult men nog niet zijn zondagsplicht. Deze immers
160 III, 6,54 | hen echter die verhinderd zijn aan de eucharistie deel
161 III, 6,54 | nemen en dus vrijgesteld zijn van het vervullen van de
162 IV, 1,56 | Woord dat Christus vóór zijn lijden en dood sprak, werd
163 IV, 1,56 | worden: "Gij zult bedroefd zijn, maar uw droefenis zal in
164 IV, 1,56 | gebeden, dat de leerlingen zijn "vreugde ten volle" (Joh
165 IV, 1,56 | vreugde uit die Christus aan zijn kerk meedeelt door de gave
166 IV, 1,57 | van de week, maar gezien zijn betekenis als dag van de
167 IV, 1,58 | voorganger Paulus VI in zijn exhortatie over de christelijke
168 IV, 1,58 | waardig en tegelijk feestrijk zijn! Het is de gekruisigde en
169 IV, 1,58 | Christus die temidden van zijn leerlingen voorbijgaat om
170 IV, 1,58 | nemen in de hernieuwing van zijn verrijzenis. Het is hier
171 IV, 1,58 | liefdesverbond tussen God en zijn volk; teken en bron van
172 IV, 2,59 | Nieuwe Verbond die bewerkt zijn door het Paasmysterie van
173 IV, 2,60 | van God geeft de tijd heel zijn betekenis; in de opeenvolging
174 IV, 2,60 | aangezien hij door God en zijn kairoi, dat wil zeggen de
175 IV, 2,60 | wil zeggen de perioden van zijn genade en zijn heilbrengende
176 IV, 2,60 | perioden van zijn genade en zijn heilbrengende interventies,
177 IV, 2,61 | God de mens maakte "naar zijn beeld en gelijkenis" (vgl.
178 IV, 2,61 | altijd rechtstreeks verbonden zijn met de 'dag van de mens'.
179 IV, 2,61 | die moet heilig voor u zijn" (Ex 20,8), is de rustpauze
180 IV, 2,61 | hem de gelegenheid biedt zijn levengevende en bevrijdende
181 IV, 2,61 | bevrijdende afhankelijkheid van zijn Schepper te erkennen, en
182 IV, 2,61 | Schepper te erkennen, en ook zijn roeping om mee te doen aan
183 IV, 2,61 | doen aan diens werk en om zijn genade te ontvangen. Door
184 IV, 2,61 | Heren diepgaand getekend te zijn door Gods zegen (vgl. Gn
185 IV, 2,62 | en verleden tijd geworden zijn door de 'verwezenlijking'
186 IV, 2,62 | van kracht blijven; zij zijn plechtig vastgelegd in de
187 IV, 2,62 | die moet heilig voor u zijn, zoals de Heer uw God u
188 IV, 2,62 | bevrijdingswerk dat God voor zijn volk verrichtte.~ ~
189 IV, 2,63 | te schenden, maar om hem zijn volle betekenis te geven: "
|