61. Het einde van het hele scheppingswerk,
de 'sabbat', de zevende door God gezegende en geheiligde dag, is rechtstreeks
verbonden met het werk van de zesde dag, de dag waarop God de mens maakte
"naar zijn beeld en gelijkenis" (vgl. Gn 1,26). Deze zeer nauwe band
tussen de 'dag van God' en de 'dag van de mens' is de vaders niet ontgaan in
hun overweging van het bijbelse scheppingsverhaal. Ambrosius zegt hierover:
"Ik breng dank aan de Heer onze God dat Hij een dusdanig werk verrichtte,
dat Hij er rust kon vinden. Hij maakte de hemel, maar ik lees nergens dat Hij
toen rustte. Hij maakte de aarde, maar ik lees nergens dat Hij toen rustte. Hij
maakte de zon, de maan en de sterren, maar ook dan lees ik nergens dat Hij toen
rustte. Dan lees ik dat Hij de mens maakte en dat Hij zich daarna te rusten
legde, omdat Hij toen iemand had aan wie Hij diens zonden vergeven
kon."106 Zo zal de 'dag van God' voor altijd rechtstreeks verbonden zijn
met de 'dag van de mens'. Wanneer nu het gebod van God luidt: "Denk aan de
sabbat; die moet heilig voor u zijn" (Ex 20,8), is de rustpauze die gelast
wordt om de dag te eren die aan hem is toegewijd, geenszins een moeilijk na te
komen verplichting voor de mens, maar eerder een hulp die hem de gelegenheid
biedt zijn levengevende en bevrijdende afhankelijkheid van zijn Schepper te
erkennen, en ook zijn roeping om mee te doen aan diens werk en om zijn genade
te ontvangen. Door de 'rust' van God te eren herontdekt de mens zich volledig.
Zo blijkt de dag des Heren diepgaand getekend te zijn door Gods zegen (vgl. Gn 2,3)
en men zou kunnen zeggen, dat deze dag daardoor net als de dieren en de mensen
(vgl. Gn 1,22 en 28) begiftigd is met een soort 'vruchtbaarheid'. Deze
'vruchtbaarheid' komt vooral hierin tot uitdrukking dat de sabbat de tijd zelf
vervult en in zekere zin 'vermenigvuldigt' door in mannen en vrouwen de
levensvreugde en het verlangen om het leven te bevorderen en door te geven te
doen toenemen.
|