|
"In het begin schiep God de hemel en de
aarde" (Gn 1,1)
9. De dichterlijke stijl van het
scheppingsverhaal van het boek Genesis geeft goed de verbazing weer die de mens
vervult bij het zien van de onmetelijkheid van de schepping en het gevoel van
aanbidding dat hij ervaart voor Diegene die alles uit het niets tevoorschijn
gebracht heeft. Het gaat om een bladzijde met een sterke godsdienstige
betekenis, een lofzang op de Schepper van het heelal die voorbestemd is de
enige Heer te zijn tegenover de telkens terugkerende verleiding de wereld zelf
te vergoddelijken. Het is tegelijkertijd een lofzang voor de goedheid van het
geschapene, geheel en al gevormd door de machtige en barmhartige hand van God.
"God zag, dat het goed was" (Gn 1,10;12;
e.v.). Dit refrein, dat het verhaal zijn ritme geeft, werpt een welwillend
licht op alle elementen van het heelal en laat tegelijkertijd een zweem van het
geheim van een juist begrip en een mogelijke hernieuwing ervan zien. De wereld
is goed in de mate waarin zij verankerd blijft aan haar oorsprong. En nadat zij
besmeurd is door de zonde, wordt zij opnieuw goed, als zij zich met behulp van
de genade wendt tot Hem die haar gemaakt heeft. Deze dialectiek heeft
vanzelfsprekend geen betrekking op de levenloze dingen of de dieren, maar op de
menselijke wezens die Hij de onvergelijkelijke gave van de vrijheid heeft
willen geven, met alle risico's van dien. Direct na de scheppingsverhalen geeft
de bijbel een uiteenzetting over de dramatische tegenstelling die er bestaat
tussen de grootsheid van de mens die naar Gods beeld en gelijkenis geschapen
is, en zijn val die in de wereld het begin is van de duistere geschiedenis van
zonde en dood.
|