11. Op de eerste bladzijde van
Genesis is het 'werk' van God een voorbeeld voor de mens. Zijn 'rust' is dat
eveneens: "Hij rustte op de zevende dag van al het werk dat Hij verricht
had" (Gn 2,2). Ook hier worden we geconfronteerd met een antropomorfisme
rijk aan betekenis.
De 'rust' van God kan niet simpelweg uitgelegd
worden als een soort 'ledigheid' van God. De scheppingsdaad die de wereld
vestigt, is werkelijk blijvend van aard. God houdt nooit op met aan het werk te
zijn. Jezus herinnert daaraan met betrekking tot de sabbatsvoorschriften:
"Mijn Vader is tot op de dag van vandaag voortdurend aan het werk, en ook
Ik houd niet op met werken" (Joh 5,17). De goddelijke rust op de zevende
dag roept niet het beeld op van een inactieve God, maar onderstreept de
volledigheid van het werk dat voltooid is, en is als het ware uitdrukking van
de pauze die God inlast met het oog op het "zeer goede" (Gn 1,31)
werk dat uit zijn handen is voortgekomen om daarop een blik vol vreugdevolle
voldoening te laten rusten. Het is een 'contemplatieve' blik die niet uit is op
nieuwe projecten, maar eerder op het genieten van de schoonheid van dat wat
voltooid is; een blik die rust op alle dingen maar in het bijzonder op de mens,
hoogtepunt van de schepping. Het is een blik waarin men al op een of andere
manier de 'bruids'-dynamiek van de band die God wil aanknopen met het schepsel
dat naar zijn beeld gemaakt is door hem te roepen zich in een liefdesverbond
vast te leggen, kan waarnemen. Dat is wat Hij meer en meer zal verwezenlijken
in het perspectief van het heil dat de gehele mensheid wordt aangeboden door
het heilsverbond dat Hij met Israël gesloten heeft en dat zijn hoogtepunt
zal bereiken met Christus. Juist het vleesgeworden Woord zal, door de
eschatologische gave van de heilige Geest en de vestiging van de kerk als zijn
lichaam en bruid, voor heel de mensheid het offer van barmhartigheid en het
voorstel van de liefde van de Vader ontvouwen.
|