12. In het plan van de Schepper is
er een onderscheid maar ook een zeer nauwe band tussen de orde van de schepping
en de orde van het heil. Het Oude Testament onderstreept dit al, wanneer het
het gebod met betrekking tot de sabbat in verband brengt niet alleen met de geheimnisvolle
'rust' van God na de dagen van scheppingsactiviteit (vgl. Ex 20,8-11), maar ook
met het heil dat door Hem aan Israël wordt aangeboden tijdens de
bevrijding uit de slavernij van Egypte (vgl. Dt 5,12-15). De God die de zevende
dag uitrust en zich verheugt over zijn schepping is dezelfde die zijn
heerlijkheid toont als Hij zijn kinderen van de onderdrukking door de farao
bevrijdt. In het ene en in het andere geval zou men, met een beeld dat de
profeten dierbaar is, kunnen zeggen dat Hij zich laat zien als de bruidegom
tegenover zijn bruid (vgl. Hos 2,16-24; Jr 2,2; Js 54,4-8).
Om werkelijk tot in het hart van de 'sabbat', van
de 'rust' van God door te dringen, zoals dit aangegeven wordt door bepaalde
gegevens uit de hebreeuwse traditie zelf12, moet men zich de
huwelijksintensiteit eigen maken die zowel in het Oude als in het Nieuwe
Testament de betrekking tussen God en zijn volk kenmerkt. Dat komt bijvoorbeeld
tot uitdrukking in die prachtige bladzijde van Hosea: "Op die dag zal Ik
een verbond sluiten, ten bate van hen, met de dieren in het wild, met de vogels
in de lucht en met wat er kruipt op de grond. Boog en zwaard en oorlog sla Ik
het land uit en in veiligheid laat Ik hen wonen. Ik neem u als mijn bruid, voor
altijd, als mijn bruid, in recht en gerechtigheid, in goedheid en erbarming,
als mijn bruid, in onverbrekelijke trouw: dan zult gij de Heer leren
kennen" (Hos 2,20-22).
|